tempelier
zelfstandig naamwoordBetekenis
- ridder van een voormalige geestelijke orde, in 1118 te Jeruzalem gesticht door Hugo de Payens en opgeheven in 1312 die ten tijde van de kruistochten als klein onderdeel van de kruisvaarderslegers een Heilige Oorlog tegen de moslims voerde in het Heilige Land
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tempelieren | meervoud |
| tempeliers | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘ridder van geestelijke orde’ voor het eerst aangetroffen in 1269
Woordfamilie van tempelier
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tempelieren | meervoud | tempelier |
| tempeliers | meervoud | tempelier |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tempelier zijn vastgelegd.