tempeesten
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- stormen
- ruzie maken
Vervoeging van tempeesten
tempeestenhele werkwoord
Vervoeging van tempeesten
tempeestenhele werkwoord — tempeestteverleden tijd enkelvoud — tempeesttenverleden tijd meervoud — getempeestvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | tempeest | tempeestte |
| jij | tempeest | tempeestte |
| hij, zij, het | tempeest | tempeestte |
| wij | tempeesten | tempeestten |
| jullie | tempeesten | tempeestten |
| zij | tempeesten | tempeestten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| getempeest | verleden tijd, deelwoord |
| getempeest te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getempeest zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had getempeest | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had getempeest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had getempeest | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden getempeest | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden getempeest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden getempeest | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt getempeest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb getempeest | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getempeest | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben getempeest | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getempeest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben getempeest | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt getempeest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getempeest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getempeest | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben getempeest | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te tempeesten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen tempeesten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| tempeest | gebiedende wijs |
| tempeeste | aanvoegende wijs |
| tempeestend | onvoltooid, deelwoord |
| tempeestte | verleden tijd |
| zal getempeest hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getempeest hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal getempeest hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal tempeesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal tempeesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal tempeesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou getempeest hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getempeest hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getempeest hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou tempeesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou tempeesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou tempeesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden getempeest hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden getempeest hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden getempeest hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden tempeesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden tempeesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden tempeesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt getempeest hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt tempeesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen getempeest hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen getempeest hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen getempeest hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen tempeesten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen tempeesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen tempeesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen tempeesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult getempeest hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult tempeesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord tempeest
Herkomst
afleiding van tempeest
Woordfamilie van tempeesten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| getempeest | voltooid deelwoord | tempeesten |
| tempeeste | aanvoegende wijs | tempeesten |
| tempeestend | onvoltooid deelwoord | tempeesten |
| tempeestende | woordvorm | tempeesten |
| tempeestte | verleden tijd | tempeesten |
| tempeestten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | tempeesten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tempeesten zijn vastgelegd.