Naar de inhoud

tekortkomen

te weinig hebben

tekortkomen

werkwoord

Betekenis

  1. te weinig hebben

Vervoeging van tekortkomen

tekortkomenhele werkwoord — kwam tekortverleden tijd enkelvoud — kwamen tekortverleden tijd meervoud — tekortgekomenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik kom tekort kwam tekort
jij komt tekort kwaamt tekort
hij, zij, het komt tekort kwam tekort
wij komen tekort kwamen tekort
jullie komen tekort kwamen tekort
zij komen tekort kwamen tekort
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had tekortgekomen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had tekortgekomen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had tekortgekomen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden tekortgekomen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden tekortgekomen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden tekortgekomen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt tekortgekomen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb tekortgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben tekortgekomen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben tekortgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben tekortgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben tekortgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt tekortgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft tekortgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft tekortgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
kom tekort gebiedende wijs
kwam tekort verleden tijd
te hebben tekortgekomen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen tekortkomen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
tekort te komen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
tekort te zullen komen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
tekort zal komen bijzin, toekomende tijd
tekort zou komen bijzin, voorwaardelijk
tekort zouden komen bijzin, voorwaardelijk
tekort zoudt komen bijzin, voorwaardelijk
tekort zullen komen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
tekort zullen komen bijzin, toekomende tijd
tekort zult komen bijzin, toekomende tijd
tekortgekomen verleden tijd, deelwoord
tekortgekomen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
tekortgekomen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
tekortkom bijzin, tegenwoordige tijd
tekortkomend onvoltooid, deelwoord
tekortkomt bijzin, tegenwoordige tijd
tekortkwaamt bijzin, verleden tijd
tekortkwam bijzin, verleden tijd
tekortkwamen bijzin, verleden tijd
zal tekortgekomen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal tekortgekomen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal tekortgekomen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal tekortkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal tekortkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal tekortkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal tekortkomen bijzin, toekomende tijd
zou tekortgekomen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou tekortgekomen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou tekortgekomen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou tekortkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou tekortkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou tekortkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou tekortkomen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) tekortkomen tekort zou(dt) komen bijzin, voorwaardelijk
zouden tekortgekomen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden tekortgekomen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden tekortgekomen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden tekortkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden tekortkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden tekortkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden tekortkomen bijzin, voorwaardelijk
zoudt tekortgekomen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt tekortkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt tekortkomen bijzin, voorwaardelijk
zullen tekortgekomen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen tekortgekomen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen tekortgekomen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen tekortkomen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen tekortkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen tekortkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen tekortkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen tekortkomen bijzin, toekomende tijd
zult tekortgekomen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult tekortkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult tekortkomen bijzin, toekomende tijd
zult/zal tekortkomen tekort zult/zal komen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van tekort en komen

Woordfamilie van tekortkomen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
kom tekort gebiedende wijs tekortkomen
kome tekort woordvorm tekortkomen
komen tekort aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon tekortkomen
komt tekort aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon tekortkomen
kwam tekort verleden tijd tekortkomen
kwamen tekort aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon tekortkomen
tekortgekomen voltooid deelwoord tekortkomen
tekortkom subordinate-clause, tegenwoordige tijd tekortkomen
tekortkome with-subordinate-clause tekortkomen
tekortkomend onvoltooid deelwoord tekortkomen
tekortkomende woordvorm tekortkomen
tekortkomt subordinate-clause, tegenwoordige tijd tekortkomen
tekortkwam subordinate-clause, verleden tijd tekortkomen
tekortkwamen subordinate-clause, verleden tijd tekortkomen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tekortkomen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over tekortkomen

Wat is de betekenis van tekortkomen?
Tekortkomen is een werkwoord. De betekenis is: te weinig hebben.
Hoe vervoeg ik tekortkomen?
Zo vervoeg je tekortkomen zo: het voltooid deelwoord is tekortgekomen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord tekortkomen is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. T 2
  2. E 1
  3. K 3
  4. O 1
  5. R 2
  6. T 2
  7. K 3
  8. O 1
  9. M 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

tekortkomen levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. T 2
  2. E 1
  3. K 3
  4. O 1
  5. R 2
  6. T 2
  7. K 3
  8. O 1
  9. M 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 20 zonder bonus
  13. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (K) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

tekortkomen in het kort

tekortkomen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van tekortkomen staan er 47 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort tekortkomen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

tekortkomen: te weinig hebben
Deel tekortkomen — standaardnederlands.nl