tekortkomen
werkwoordBetekenis
- te weinig hebben
Vervoeging van tekortkomen
tekortkomenhele werkwoord — kwam tekortverleden tijd enkelvoud — kwamen tekortverleden tijd meervoud — tekortgekomenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kom tekort | kwam tekort |
| jij | komt tekort | kwaamt tekort |
| hij, zij, het | komt tekort | kwam tekort |
| wij | komen tekort | kwamen tekort |
| jullie | komen tekort | kwamen tekort |
| zij | komen tekort | kwamen tekort |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had tekortgekomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had tekortgekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had tekortgekomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden tekortgekomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden tekortgekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden tekortgekomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt tekortgekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb tekortgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben tekortgekomen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben tekortgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben tekortgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben tekortgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt tekortgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft tekortgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft tekortgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kom tekort | gebiedende wijs |
| kwam tekort | verleden tijd |
| te hebben tekortgekomen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen tekortkomen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| tekort te komen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| tekort te zullen komen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| tekort zal komen | bijzin, toekomende tijd |
| tekort zou komen | bijzin, voorwaardelijk |
| tekort zouden komen | bijzin, voorwaardelijk |
| tekort zoudt komen | bijzin, voorwaardelijk |
| tekort zullen komen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| tekort zullen komen | bijzin, toekomende tijd |
| tekort zult komen | bijzin, toekomende tijd |
| tekortgekomen | verleden tijd, deelwoord |
| tekortgekomen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| tekortgekomen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| tekortkom | bijzin, tegenwoordige tijd |
| tekortkomend | onvoltooid, deelwoord |
| tekortkomt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| tekortkwaamt | bijzin, verleden tijd |
| tekortkwam | bijzin, verleden tijd |
| tekortkwamen | bijzin, verleden tijd |
| zal tekortgekomen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal tekortgekomen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal tekortgekomen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal tekortkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal tekortkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal tekortkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal tekortkomen | bijzin, toekomende tijd |
| zou tekortgekomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou tekortgekomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou tekortgekomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou tekortkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou tekortkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou tekortkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou tekortkomen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) tekortkomen tekort zou(dt) komen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden tekortgekomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden tekortgekomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden tekortgekomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden tekortkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden tekortkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden tekortkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden tekortkomen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt tekortgekomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt tekortkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt tekortkomen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen tekortgekomen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen tekortgekomen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen tekortgekomen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen tekortkomen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen tekortkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen tekortkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen tekortkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen tekortkomen | bijzin, toekomende tijd |
| zult tekortgekomen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult tekortkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult tekortkomen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal tekortkomen tekort zult/zal komen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van tekort en komen
Woordfamilie van tekortkomen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kom tekort | gebiedende wijs | tekortkomen |
| kome tekort | woordvorm | tekortkomen |
| komen tekort | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | tekortkomen |
| komt tekort | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | tekortkomen |
| kwam tekort | verleden tijd | tekortkomen |
| kwamen tekort | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | tekortkomen |
| tekortgekomen | voltooid deelwoord | tekortkomen |
| tekortkom | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | tekortkomen |
| tekortkome | with-subordinate-clause | tekortkomen |
| tekortkomend | onvoltooid deelwoord | tekortkomen |
| tekortkomende | woordvorm | tekortkomen |
| tekortkomt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | tekortkomen |
| tekortkwam | subordinate-clause, verleden tijd | tekortkomen |
| tekortkwamen | subordinate-clause, verleden tijd | tekortkomen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tekortkomen zijn vastgelegd.