Naar de inhoud

tekortdoen

geen recht doen

tekortdoen

werkwoord

Betekenis

  1. geen recht doen

Vervoeging van tekortdoen

tekortdoenhele werkwoord — deed tekortverleden tijd enkelvoud — deden tekortverleden tijd meervoud — tekortgedaanvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik doe tekort deed tekort
jij doet tekort deed tekort
hij, zij, het doet tekort deed tekort
wij doen tekort deden tekort
jullie doen tekort deden tekort
zij doen tekort deden tekort
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben tekortgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent tekortgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
deed tekort verleden tijd
doe tekort gebiedende wijs
er is tekortgedaan impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was tekortgedaan impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd tekortgedaan impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt tekortgedaan impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal tekortgedaan worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal tekortgedaan zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou tekortgedaan worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou tekortgedaan zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had tekortgedaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had tekortgedaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had tekortgedaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden tekortgedaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden tekortgedaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden tekortgedaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt tekortgedaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb tekortgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben tekortgedaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben tekortgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben tekortgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben tekortgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt tekortgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft tekortgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft tekortgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is tekortgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is tekortgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben tekortgedaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen tekortdoen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
tekort te doen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
tekort te zullen doen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
tekort zal doen bijzin, toekomende tijd
tekort zou doen bijzin, voorwaardelijk
tekort zouden doen bijzin, voorwaardelijk
tekort zoudt doen bijzin, voorwaardelijk
tekort zullen doen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
tekort zullen doen bijzin, toekomende tijd
tekort zult doen bijzin, toekomende tijd
tekortdeden bijzin, verleden tijd
tekortdeed bijzin, verleden tijd
tekortdoe bijzin, tegenwoordige tijd
tekortdoend onvoltooid, deelwoord
tekortdoet bijzin, tegenwoordige tijd
tekortgedaan verleden tijd, deelwoord
tekortgedaan te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
tekortgedaan te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
tekortgedaan te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
tekortgedaan te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
tekortgedaan te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
tekortgedaan worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
tekortgedaan zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
tekortgedaan zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
tekortgedaan zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
tekortgedaan zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
waart tekortgedaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren tekortgedaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren tekortgedaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren tekortgedaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
was tekortgedaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was tekortgedaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was tekortgedaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd tekortgedaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd tekortgedaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd tekortgedaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden tekortgedaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden tekortgedaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden tekortgedaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt tekortgedaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word tekortgedaan enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden tekortgedaan enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden tekortgedaan enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden tekortgedaan enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt tekortgedaan enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt tekortgedaan enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal tekortdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal tekortdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal tekortdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal tekortdoen bijzin, toekomende tijd
zal tekortgedaan hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal tekortgedaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal tekortgedaan hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal tekortgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal tekortgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal tekortgedaan zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal tekortgedaan zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn tekortgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn tekortgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn tekortgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt tekortgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou tekortdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou tekortdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou tekortdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou tekortdoen bijzin, voorwaardelijk
zou tekortgedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou tekortgedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou tekortgedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou tekortgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou tekortgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou tekortgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou tekortgedaan zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou tekortgedaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou tekortgedaan zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) tekortdoen tekort zou(dt) doen bijzin, voorwaardelijk
zouden tekortdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden tekortdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden tekortdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden tekortdoen bijzin, voorwaardelijk
zouden tekortgedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden tekortgedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden tekortgedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden tekortgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden tekortgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden tekortgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden tekortgedaan zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden tekortgedaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden tekortgedaan zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt tekortdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt tekortdoen bijzin, voorwaardelijk
zoudt tekortgedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt tekortgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt tekortgedaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen tekortdoen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen tekortdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen tekortdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen tekortdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen tekortdoen bijzin, toekomende tijd
zullen tekortgedaan hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen tekortgedaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen tekortgedaan hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen tekortgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen tekortgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen tekortgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen tekortgedaan zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen tekortgedaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen tekortgedaan zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult tekortdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van tekort en doen

Woordfamilie van tekortdoen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
deden tekort aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon tekortdoen
deed tekort verleden tijd tekortdoen
doe tekort gebiedende wijs tekortdoen
doen tekort aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon tekortdoen
doet tekort aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon tekortdoen
tekortdeden subordinate-clause, verleden tijd tekortdoen
tekortdeed subordinate-clause, verleden tijd tekortdoen
tekortdoe subordinate-clause, tegenwoordige tijd tekortdoen
tekortdoend onvoltooid deelwoord tekortdoen
tekortdoende woordvorm tekortdoen
tekortdoet subordinate-clause, tegenwoordige tijd tekortdoen
tekortgedaan voltooid deelwoord tekortdoen
tekortgedane woordvorm tekortdoen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tekortdoen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over tekortdoen

Wat is de betekenis van tekortdoen?
Tekortdoen is een werkwoord. De betekenis is: geen recht doen.
Hoe vervoeg ik tekortdoen?
Zo vervoeg je tekortdoen zo: het voltooid deelwoord is tekortgedaan. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord tekortdoen is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. T 2
  2. E 1
  3. K 3
  4. O 1
  5. R 2
  6. T 2
  7. D 2
  8. O 1
  9. E 1
  10. N 1
  11. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

tekortdoen levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 66 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. T 2
  2. E 1
  3. K 3
  4. O 1
  5. R 2
  6. T 2
  7. D 2
  8. O 1
  9. E 1
  10. N 1
  11. 16 zonder bonus
  12. 66 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (K) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

tekortdoen in het kort

tekortdoen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van tekortdoen staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort tekortdoen bij een woordfamilie van 13 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

tekortdoen: geen recht doen
Deel tekortdoen — standaardnederlands.nl