Naar de inhoud

tegenzitten

moeilijker zijn dan verwacht, ongunstig zijn, een belemmering zijn zonder dat je daar invloed op hebt

tegenzitten

werkwoord

Betekenis

  1. moeilijker zijn dan verwacht, ongunstig zijn, een belemmering zijn zonder dat je daar invloed op hebt
  2. een sterkere tegenstander zijn dan gedacht

Vervoeging van tegenzitten

tegenzittenhele werkwoord — zat tegenverleden tijd enkelvoud — zaten tegenverleden tijd meervoud — tegengezetenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zit tegen zat tegen
jij zit tegen zat tegen
hij, zij, het zit tegen zat tegen
wij zitten tegen zaten tegen
jullie zitten tegen zaten tegen
zij zitten tegen zaten tegen
Alle 73 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had tegengezeten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had tegengezeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had tegengezeten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden tegengezeten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden tegengezeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden tegengezeten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt tegengezeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb tegengezeten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben tegengezeten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben tegengezeten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben tegengezeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben tegengezeten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt tegengezeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft tegengezeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft tegengezeten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben tegengezeten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen tegenzitten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
tegen te zitten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
tegen te zullen zitten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
tegen zal zitten bijzin, toekomende tijd
tegen zou zitten bijzin, voorwaardelijk
tegen zouden zitten bijzin, voorwaardelijk
tegen zoudt zitten bijzin, voorwaardelijk
tegen zullen zitten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
tegen zullen zitten bijzin, toekomende tijd
tegen zult zitten bijzin, toekomende tijd
tegengezeten verleden tijd, deelwoord
tegengezeten te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
tegengezeten zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
tegenzat bijzin, verleden tijd
tegenzaten bijzin, verleden tijd
tegenzit bijzin, tegenwoordige tijd
tegenzittend onvoltooid, deelwoord
zal tegengezeten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal tegengezeten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal tegengezeten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal tegenzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal tegenzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal tegenzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal tegenzitten bijzin, toekomende tijd
zat tegen verleden tijd
zit tegen gebiedende wijs
zou tegengezeten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou tegengezeten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou tegengezeten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou tegenzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou tegenzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou tegenzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou tegenzitten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) tegenzitten tegen zou(dt) zitten bijzin, voorwaardelijk
zouden tegengezeten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden tegengezeten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden tegengezeten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden tegenzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden tegenzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden tegenzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden tegenzitten bijzin, voorwaardelijk
zoudt tegengezeten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt tegenzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt tegenzitten bijzin, voorwaardelijk
zullen tegengezeten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen tegengezeten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen tegengezeten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen tegenzitten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen tegenzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen tegenzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen tegenzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen tegenzitten bijzin, toekomende tijd
zult tegengezeten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult tegenzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult tegenzitten bijzin, toekomende tijd
zult/zal tegenzitten tegen zult/zal zitten bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van tegen bw en zitten ww

Woordfamilie van tegenzitten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
tegengezeten voltooid deelwoord tegenzitten
tegenzat subordinate-clause, verleden tijd tegenzitten
tegenzaten subordinate-clause, verleden tijd tegenzitten
tegenzit subordinate-clause, tegenwoordige tijd tegenzitten
tegenzitte with-subordinate-clause tegenzitten
tegenzittend onvoltooid deelwoord tegenzitten
tegenzittende woordvorm tegenzitten
zat tegen verleden tijd tegenzitten
zaten tegen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon tegenzitten
zit tegen gebiedende wijs tegenzitten
zitte tegen woordvorm tegenzitten
zitten tegen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon tegenzitten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tegenzitten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over tegenzitten

Wat betekent tegenzitten?
Tegenzitten is een werkwoord. Het woord betekent: moeilijker zijn dan verwacht, ongunstig zijn, een belemmering zijn zonder dat je daar invloed op hebt. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je tegenzitten?
Je vervoegt tegenzitten als volgt: het voltooid deelwoord is tegengezeten. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Scrabble punten

Naar spel

Het woord tegenzitten is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. T 2
  2. E 1
  3. G 3
  4. E 1
  5. N 1
  6. Z 4
  7. I 1
  8. T 2
  9. T 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

tegenzitten levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 93 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. T 2
  2. E 1
  3. G 3
  4. E 1
  5. N 1
  6. Z 5
  7. I 2
  8. T 2
  9. T 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 21 zonder bonus
  13. 93 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

tegenzitten in het kort

tegenzitten staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van tegenzitten zijn 43 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort tegenzitten bij een woordfamilie van 12 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

tegenzitten: moeilijker zijn dan verwacht, ongunstig zijn, een belemmering zijn zonder dat je daar invloed op hebt
Deel tegenzitten — standaardnederlands.nl