Naar de inhoud

tegenlachen

lachend tegemoet zien

tegenlachen

werkwoord

Betekenis

  1. lachend tegemoet zien

Vervoeging van tegenlachen

tegenlachenhele werkwoord — lachte tegenverleden tijd enkelvoud — lachten tegenverleden tijd meervoud — tegengelachenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik lach tegen lachte tegen
jij lacht tegen lachte tegen
hij, zij, het lacht tegen lachte tegen
wij lachen tegen lachten tegen
jullie lachen tegen lachten tegen
zij lachen tegen lachten tegen
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had tegengelachen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had tegengelachen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had tegengelachen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden tegengelachen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden tegengelachen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden tegengelachen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt tegengelachen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb tegengelachen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben tegengelachen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben tegengelachen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben tegengelachen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben tegengelachen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt tegengelachen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft tegengelachen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft tegengelachen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
lach tegen gebiedende wijs
lachte tegen verleden tijd
te hebben tegengelachen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen tegenlachen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
tegen te lachen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
tegen te zullen lachen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
tegen zal lachen bijzin, toekomende tijd
tegen zou lachen bijzin, voorwaardelijk
tegen zouden lachen bijzin, voorwaardelijk
tegen zoudt lachen bijzin, voorwaardelijk
tegen zullen lachen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
tegen zullen lachen bijzin, toekomende tijd
tegen zult lachen bijzin, toekomende tijd
tegengelachen verleden tijd, deelwoord
tegengelachen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
tegengelachen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
tegenlach bijzin, tegenwoordige tijd
tegenlachend onvoltooid, deelwoord
tegenlacht bijzin, tegenwoordige tijd
tegenlachte bijzin, verleden tijd
tegenlachten bijzin, verleden tijd
tegenlachtet bijzin, verleden tijd
zal tegengelachen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal tegengelachen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal tegengelachen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal tegenlachen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal tegenlachen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal tegenlachen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal tegenlachen bijzin, toekomende tijd
zou tegengelachen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou tegengelachen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou tegengelachen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou tegenlachen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou tegenlachen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou tegenlachen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou tegenlachen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) tegenlachen tegen zou(dt) lachen bijzin, voorwaardelijk
zouden tegengelachen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden tegengelachen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden tegengelachen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden tegenlachen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden tegenlachen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden tegenlachen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden tegenlachen bijzin, voorwaardelijk
zoudt tegengelachen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt tegenlachen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt tegenlachen bijzin, voorwaardelijk
zullen tegengelachen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen tegengelachen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen tegengelachen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen tegenlachen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen tegenlachen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen tegenlachen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen tegenlachen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen tegenlachen bijzin, toekomende tijd
zult tegengelachen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult tegenlachen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult tegenlachen bijzin, toekomende tijd
zult/zal tegenlachen tegen zult/zal lachen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van tegen en lachen

Woordfamilie van tegenlachen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
lach tegen gebiedende wijs tegenlachen
lache tegen woordvorm tegenlachen
lachen tegen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon tegenlachen
lacht tegen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon tegenlachen
lachte tegen verleden tijd tegenlachen
lachten tegen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon tegenlachen
tegengelachen voltooid deelwoord tegenlachen
tegenlach subordinate-clause, tegenwoordige tijd tegenlachen
tegenlache with-subordinate-clause tegenlachen
tegenlachend onvoltooid deelwoord tegenlachen
tegenlachende woordvorm tegenlachen
tegenlacht subordinate-clause, tegenwoordige tijd tegenlachen
tegenlachte subordinate-clause, verleden tijd tegenlachen
tegenlachten subordinate-clause, verleden tijd tegenlachen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tegenlachen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over tegenlachen

Wat is de betekenis van tegenlachen?
Tegenlachen is een werkwoord. De betekenis is: lachend tegemoet zien.
Hoe vervoeg ik tegenlachen?
Zo vervoeg je tegenlachen zo: het voltooid deelwoord is tegengelachen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord tegenlachen is 23 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. T 2
  2. E 1
  3. G 3
  4. E 1
  5. N 1
  6. L 3
  7. A 1
  8. C 5
  9. H 4
  10. E 1
  11. N 1
  12. 23 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

tegenlachen levert met Wordfeud minimaal 23 en maximaal 99 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. T 2
  2. E 1
  3. G 3
  4. E 1
  5. N 1
  6. L 3
  7. A 1
  8. C 5
  9. H 4
  10. E 1
  11. N 1
  12. 23 zonder bonus
  13. 99 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

tegenlachen in het kort

tegenlachen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van tegenlachen staan er 47 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort tegenlachen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

tegenlachen: lachend tegemoet zien
Deel tegenlachen — standaardnederlands.nl