tegenlachen
werkwoordBetekenis
- lachend tegemoet zien
Vervoeging van tegenlachen
tegenlachenhele werkwoord — lachte tegenverleden tijd enkelvoud — lachten tegenverleden tijd meervoud — tegengelachenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | lach tegen | lachte tegen |
| jij | lacht tegen | lachte tegen |
| hij, zij, het | lacht tegen | lachte tegen |
| wij | lachen tegen | lachten tegen |
| jullie | lachen tegen | lachten tegen |
| zij | lachen tegen | lachten tegen |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had tegengelachen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had tegengelachen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had tegengelachen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden tegengelachen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden tegengelachen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden tegengelachen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt tegengelachen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb tegengelachen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben tegengelachen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben tegengelachen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben tegengelachen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben tegengelachen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt tegengelachen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft tegengelachen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft tegengelachen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| lach tegen | gebiedende wijs |
| lachte tegen | verleden tijd |
| te hebben tegengelachen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen tegenlachen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| tegen te lachen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| tegen te zullen lachen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| tegen zal lachen | bijzin, toekomende tijd |
| tegen zou lachen | bijzin, voorwaardelijk |
| tegen zouden lachen | bijzin, voorwaardelijk |
| tegen zoudt lachen | bijzin, voorwaardelijk |
| tegen zullen lachen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| tegen zullen lachen | bijzin, toekomende tijd |
| tegen zult lachen | bijzin, toekomende tijd |
| tegengelachen | verleden tijd, deelwoord |
| tegengelachen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| tegengelachen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| tegenlach | bijzin, tegenwoordige tijd |
| tegenlachend | onvoltooid, deelwoord |
| tegenlacht | bijzin, tegenwoordige tijd |
| tegenlachte | bijzin, verleden tijd |
| tegenlachten | bijzin, verleden tijd |
| tegenlachtet | bijzin, verleden tijd |
| zal tegengelachen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal tegengelachen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal tegengelachen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal tegenlachen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal tegenlachen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal tegenlachen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal tegenlachen | bijzin, toekomende tijd |
| zou tegengelachen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou tegengelachen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou tegengelachen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou tegenlachen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou tegenlachen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou tegenlachen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou tegenlachen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) tegenlachen tegen zou(dt) lachen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden tegengelachen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden tegengelachen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden tegengelachen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden tegenlachen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden tegenlachen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden tegenlachen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden tegenlachen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt tegengelachen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt tegenlachen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt tegenlachen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen tegengelachen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen tegengelachen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen tegengelachen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen tegenlachen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen tegenlachen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen tegenlachen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen tegenlachen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen tegenlachen | bijzin, toekomende tijd |
| zult tegengelachen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult tegenlachen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult tegenlachen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal tegenlachen tegen zult/zal lachen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van tegen en lachen
Woordfamilie van tegenlachen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| lach tegen | gebiedende wijs | tegenlachen |
| lache tegen | woordvorm | tegenlachen |
| lachen tegen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | tegenlachen |
| lacht tegen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | tegenlachen |
| lachte tegen | verleden tijd | tegenlachen |
| lachten tegen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | tegenlachen |
| tegengelachen | voltooid deelwoord | tegenlachen |
| tegenlach | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | tegenlachen |
| tegenlache | with-subordinate-clause | tegenlachen |
| tegenlachend | onvoltooid deelwoord | tegenlachen |
| tegenlachende | woordvorm | tegenlachen |
| tegenlacht | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | tegenlachen |
| tegenlachte | subordinate-clause, verleden tijd | tegenlachen |
| tegenlachten | subordinate-clause, verleden tijd | tegenlachen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tegenlachen zijn vastgelegd.