tandrad
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een rond voorwerp voorzien van tanden aan de rand dat in een mechaniek gebruikt wordt voor de overdracht van krachten naar een ander deel ervan
zelfstandig naamwoord — neuter
- rond voorwerp voorzien van regelmatige uitsteeksels aan de rand dat in een mechaniek gebruikt wordt voor de overdracht van krachten naar een ander deel ervan
- symptoom van parkinson, waarbij schouder- of ellebooggewricht trapsgewijze beweegt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tandraadje | verkleinwoord, enkelvoud |
| tandraderen | meervoud |
| tandradertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| tandradertjes | verkleinwoord, meervoud |
| tandradje | verkleinwoord, enkelvoud |
| tandradjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van tand zn en rad zn **[2] (verkorting) van tandradfenomeen
Woordfamilie van tandrad
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tandraadje | verkleinwoord | tandrad |
| tandraderen | meervoud | tandrad |
| tandradertje | verkleinwoord | tandrad |
| tandradertjes | verkleinwoord meervoud | tandrad |
| tandradje | verkleinwoord | tandrad |
| tandradjes | verkleinwoord meervoud | tandrad |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tandrad zijn vastgelegd.