tal
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een numerieke hoeveelheid
- ~ van: vrij veel
- dal; een laagte in een heuvel- of bergstreek
- getal; abstracte weergave van een hoeveelheid m.b.v. cijfers en eventueel een komma en een punt
- getal; vorm van een woord die aangeeft of er sprake is van één of meer eenheden
- oantal
- getal
- thallium; scheikundig element met atoomnummer 81. Het is een zilverwit hoofdgroepmetaal
- lang, hoog
- zulk,dergelijk, soortgelijk,zo, zo'n, zodanig
- een zekere, de bewuste
- zo, op die manier
- deel
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tallen | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘(grote) hoeveelheid’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1285
Woordfamilie van tal
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tallen | meervoud | tal |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tal zijn vastgelegd.