tailleren
werkwoordBetekenis
- in vorm brengen door het overbodige weg te snijden
- (kleding:) taille geven aan
werkwoord
- taille geven aan
Vervoeging van tailleren
taillerenhele werkwoord — tailleerdeverleden tijd enkelvoud — tailleerdenverleden tijd meervoud — getailleerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | tailleer | tailleerde |
| jij | tailleert | tailleerde |
| hij, zij, het | tailleert | tailleerde |
| wij | tailleren | tailleerden |
| jullie | tailleren | tailleerden |
| zij | tailleren | tailleerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| getailleerd | verleden tijd, deelwoord |
| getailleerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getailleerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had getailleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had getailleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had getailleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden getailleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden getailleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden getailleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt getailleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb getailleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getailleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben getailleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getailleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben getailleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt getailleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getailleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getailleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| tailleer | gebiedende wijs |
| tailleerde | verleden tijd |
| taillere | aanvoegende wijs |
| taillerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben getailleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te tailleren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen tailleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal getailleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getailleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal getailleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal tailleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal tailleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal tailleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou getailleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getailleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getailleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou tailleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou tailleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou tailleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden getailleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden getailleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden getailleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden tailleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden tailleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden tailleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt getailleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt tailleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen getailleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen getailleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen getailleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen tailleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen tailleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen tailleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen tailleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult getailleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult tailleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse tailler (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van tailleren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tailleer | gebiedende wijs | tailleren |
| tailleerde | verleden tijd | tailleren |
| tailleerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | tailleren |
| tailleert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | tailleren |
| taillere | aanvoegende wijs | tailleren |
| taillerend | onvoltooid deelwoord | tailleren |
| taillerende | woordvorm | tailleren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tailleren zijn vastgelegd.