tabuleren
werkwoordBetekenis
- tabellen maken (gewoonlijk met een vooraf ingestelde kolombreedte)
Vervoeging van tabuleren
tabulerenhele werkwoord — tabuleerdeverleden tijd enkelvoud — tabuleerdenverleden tijd meervoud — getabuleerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | tabuleer | tabuleerde |
| jij | tabuleert | tabuleerde |
| hij, zij, het | tabuleert | tabuleerde |
| wij | tabuleren | tabuleerden |
| jullie | tabuleren | tabuleerden |
| zij | tabuleren | tabuleerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| getabuleerd | verleden tijd, deelwoord |
| getabuleerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getabuleerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had getabuleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had getabuleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had getabuleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden getabuleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden getabuleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden getabuleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt getabuleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb getabuleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getabuleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben getabuleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getabuleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben getabuleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt getabuleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getabuleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getabuleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| tabuleer | gebiedende wijs |
| tabuleerde | verleden tijd |
| tabulere | aanvoegende wijs |
| tabulerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben getabuleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te tabuleren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen tabuleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal getabuleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getabuleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal getabuleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal tabuleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal tabuleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal tabuleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou getabuleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getabuleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getabuleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou tabuleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou tabuleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou tabuleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden getabuleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden getabuleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden getabuleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden tabuleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden tabuleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden tabuleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt getabuleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt tabuleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen getabuleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen getabuleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen getabuleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen tabuleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen tabuleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen tabuleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen tabuleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult getabuleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult tabuleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse tabuler (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van tabuleren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| getabuleerd | voltooid deelwoord | tabuleren |
| getabuleerde | woordvorm | tabuleren |
| tabuleer | gebiedende wijs | tabuleren |
| tabuleerde | verleden tijd | tabuleren |
| tabuleerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | tabuleren |
| tabuleert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | tabuleren |
| tabulere | aanvoegende wijs | tabuleren |
| tabulerend | onvoltooid deelwoord | tabuleren |
| tabulerende | woordvorm | tabuleren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tabuleren zijn vastgelegd.