tabulator
zelfstandig naamwoordBetekenis
- voorziening om te tabuleren (b.v. aan een schrijfmachine: die de wagen over een afgestelde kolombreedte doet verspringen)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tabulatoren | meervoud |
| tabulators | meervoud |
| tabulatortje | verkleinwoord, enkelvoud |
| tabulatortjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘mechanisme aan schrijfmachine dat kolommen doet verspringen’ voor het eerst aangetroffen in 1913
Woordfamilie van tabulator
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tabulatoren | meervoud | tabulator |
| tabulators | meervoud | tabulator |
| tabulatortje | verkleinwoord | tabulator |
| tabulatortjes | verkleinwoord meervoud | tabulator |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tabulator zijn vastgelegd.