swingen
werkwoordBetekenis
- op een losse ongedwongen manier dansen
- geschikt zijn van muziek om op te swingen
- het maken van een levendige indruk
- het tijdelijk wisselen van seksuele partner
Vervoeging van swingen
swingenhele werkwoord — swingdeverleden tijd enkelvoud — swingdenverleden tijd meervoud — geswingdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | swing | swingde |
| jij | swingt | swingde |
| hij, zij, het | swingt | swingde |
| wij | swingen | swingden |
| jullie | swingen | swingden |
| zij | swingen | swingden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geswingd | verleden tijd, deelwoord |
| geswingd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geswingd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geswingd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geswingd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geswingd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geswingd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geswingd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geswingd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geswingd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geswingd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geswingd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geswingd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geswingd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geswingd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geswingd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geswingd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geswingd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| swing | gebiedende wijs |
| swingde | verleden tijd |
| swinge | aanvoegende wijs |
| swingend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geswingd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te swingen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen swingen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geswingd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geswingd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geswingd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal swingen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal swingen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal swingen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geswingd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geswingd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geswingd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou swingen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou swingen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou swingen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geswingd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geswingd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geswingd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden swingen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden swingen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden swingen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geswingd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt swingen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geswingd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geswingd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geswingd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen swingen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen swingen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen swingen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen swingen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geswingd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult swingen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘dansen’ voor het eerst aangetroffen in 1949
Woordfamilie van swingen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geswingd | voltooid deelwoord | swingen |
| swing | gebiedende wijs | swingen |
| swingde | verleden tijd | swingen |
| swingden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | swingen |
| swinge | aanvoegende wijs | swingen |
| swingt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | swingen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van swingen zijn vastgelegd.