durven
werkwoord ˈdʏrvə(n)Betekenis
- (vaak ~ te) de moed hebben om iets gewaagds te doen
- moed tonen
- De oorspronkelijke betekenis van durven was 'hoeven, nodig hebben', met als nevenvorm dorven. In de loop der tijd werd durven verward met dorren, dat 'wagen, de moed hebben om' betekent. Beide werkwoorden hadden dezelfde verledentijdsvorm, dorste. De betekenis van het tweede werkwoord ging zodoende over op het eerste.
- De vorm 'dorst' is in het noorden goeddeels verdrongen door de regelmatig zwakke vorm 'durfde'.
- Het voltooid deelwoord komt weinig voor, meestal wordt het vervangen door de onbepaalde wijs van durven gevolgd door een zelfstandig werkwoord.
- Lijdende vormen zijn weinig gebruikelijk.
Hoe spreek je durven uit?
/ˈdʏrvən/
Durven bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| ʏ | put |
| r | rood |
| v | vis |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- de moed hebben om iets gewaagds te doen transitive
- Zuidelijk Nederlands een bepaalde, veelal onwenselijke eigenschap vertonen unergative
Vervoeging van durven
durvenhele werkwoord — durfde (dorst, dierf)verleden tijd enkelvoud — durfden (dorsten, dierven)verleden tijd meervoud — gedurfdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | durf | durfde (dorst, dierf) |
| jij | durft | durfde (dorst, dierf) |
| hij, zij, het | durft | durfde (dorst, dierf) |
| wij | durven | durfden (dorsten, dierven) |
| jullie | durven | durfden (dorsten, dierven) |
| zij | durven | durfden (dorsten, dierven) |
Alle 88 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| durf | gebiedende wijs |
| durfde(dorst) | verleden tijd |
| durve | aanvoegende wijs |
| durvend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gedurfd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gedurfd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gedurfd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gedurfd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gedurfd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gedurfd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gedurfd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gedurfd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedurfd | verleden tijd, deelwoord |
| gedurfd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gedurfd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gedurfd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedurfd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedurfd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedurfd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gedurfd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gedurfd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gedurfd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gedurfd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedurfd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedurfd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedurfd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedurfd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedurfd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedurfd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedurfd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedurfd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedurfd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedurfd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedurfd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedurfd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedurfd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedurfd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedurfd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gedurfd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te durven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedurfd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen durven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waren gedurfd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gedurfd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gedurfd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden gedurfd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden gedurfd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gedurfd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal durven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal durven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal durven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedurfd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedurfd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedurfd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gedurfd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gedurfd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gedurfd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou durven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou durven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou durven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedurfd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedurfd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedurfd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gedurfd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gedurfd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden durven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden durven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden durven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedurfd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedurfd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedurfd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gedurfd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gedurfd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt durven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedurfd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen durven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen durven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen durven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen durven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedurfd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedurfd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedurfd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gedurfd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gedurfd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult durven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedurfd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de huidige betekenis van ‘wagen’ voor het eerst aangetroffen in 1568 . De oorspronkelijke betekenis in het Mnl. was "hoeven, nodig hebben", met als nevenvorm dorven. In de loop der tijd werd durven steeds meer verward met dorren, "wagen, de moed hebben om". Beide werkwoorden hadden dezelfde verledentijdsvorm, dorste. De betekenis van het tweede werkwoord ging zodoende over op het eerste. De oude betekenis "nodig hebben" van durven is tegenwoordig nog bewaard in nooddruft/nooddruftig.
Woordfamilie van durven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| durfde | woordvorm | durven |
| durfden | woordvorm | durven |
| durft | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | durven |
| durve | aanvoegende wijs | durven |
| durvend | onvoltooid deelwoord | durven |
| durvende | woordvorm | durven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van durven zijn vastgelegd.