suffen
werkwoordBetekenis
- niet in de gaten hebben wat er om iemand heen gebeurt
- niet al te helder van geest zijn
Vervoeging van suffen
suffenhele werkwoord — sufteverleden tijd enkelvoud — suftenverleden tijd meervoud — gesuftvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | suf | sufte |
| jij | suft | sufte |
| hij, zij, het | suft | sufte |
| wij | suffen | suften |
| jullie | suffen | suften |
| zij | suffen | suften |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gesuft | verleden tijd, deelwoord |
| gesuft te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesuft zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gesuft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gesuft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gesuft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gesuft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gesuft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gesuft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gesuft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gesuft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesuft | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gesuft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesuft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gesuft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gesuft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesuft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesuft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| suf | gebiedende wijs |
| suffe | aanvoegende wijs |
| suffend | onvoltooid, deelwoord |
| sufte | verleden tijd |
| te hebben gesuft | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te suffen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen suffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gesuft hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesuft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesuft hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal suffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal suffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal suffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gesuft hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesuft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesuft hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou suffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou suffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou suffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesuft hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesuft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesuft hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden suffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden suffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden suffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesuft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt suffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesuft hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesuft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesuft hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen suffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen suffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen suffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen suffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gesuft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult suffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘soezen’ voor het eerst aangetroffen in 1285
Woordfamilie van suffen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gesuft | voltooid deelwoord | suffen |
| suffend | onvoltooid deelwoord | suffen |
| suffende | woordvorm | suffen |
| suft | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | suffen |
| sufte | verleden tijd | suffen |
| suften | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | suffen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van suffen zijn vastgelegd.