stunten
werkwoordBetekenis
- het uitvoeren van een ongewone en moeilijke fysieke prestatie
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van stunten
stuntenhele werkwoord — stuntteverleden tijd enkelvoud — stunttenverleden tijd meervoud — gestuntvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | stunt | stuntte |
| jij | stunt | stuntte |
| hij, zij, het | stunt | stuntte |
| wij | stunten | stuntten |
| jullie | stunten | stuntten |
| zij | stunten | stuntten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gestunt | verleden tijd, deelwoord |
| gestunt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gestunt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gestunt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gestunt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gestunt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gestunt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gestunt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gestunt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gestunt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gestunt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gestunt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gestunt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gestunt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gestunt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gestunt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gestunt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gestunt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| stunt | gebiedende wijs |
| stunte | aanvoegende wijs |
| stuntend | onvoltooid, deelwoord |
| stuntte | verleden tijd |
| te hebben gestunt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te stunten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen stunten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gestunt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gestunt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gestunt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal stunten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal stunten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal stunten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gestunt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gestunt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gestunt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou stunten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou stunten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou stunten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gestunt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gestunt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gestunt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden stunten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden stunten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden stunten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gestunt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt stunten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gestunt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gestunt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gestunt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen stunten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen stunten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen stunten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen stunten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gestunt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult stunten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘kunstvliegen’ voor het eerst aangetroffen in 1936
Woordfamilie van stunten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gestunt | voltooid deelwoord | stunten |
| stunte | aanvoegende wijs | stunten |
| stuntend | onvoltooid deelwoord | stunten |
| stuntende | woordvorm | stunten |
| stuntte | verleden tijd | stunten |
| stuntten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | stunten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stunten zijn vastgelegd.