stuntel
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een onhandig persoon.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| stuntels | meervoud |
| stunteltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| stunteltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stuntelen
- gebiedende wijs van stuntelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stuntelen
Vervoeging van stuntel
stuntelhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘kluns’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1922
Woordfamilie van stuntel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stuntels | meervoud | stuntel |
| stunteltje | verkleinwoord | stuntel |
| stunteltjes | verkleinwoord meervoud | stuntel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stuntel zijn vastgelegd.