studie
zelfstandig naamwoord ˈstydiBetekenis
- tijd besteed om zich kennis of vaardigheid eigen te maken
- tijd besteed aan het uitzoeken van een bepaald onderwerp of probleem
- vakkundig of wetenschappelijk werk
- arbeid meestal als voorbereiding op de uitwerking van een groter werk
- het systematisch verkrijgen van kennis en intellectuele vaardigheden
Hoe spreek je studie uit?
/ˈstydi/
Studie bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| y | fuut |
| d | dak |
| i | riet |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord
- tijd die men besteedt om zich kennis of een vaardigheid eigen te maken
- opleiding, studierichting
- tijd die men besteedt aan het uitzoeken van een bepaald onderwerp of probleem; onderzoek
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| studies | meervoud |
| studietje | verkleinwoord, enkelvoud |
| studietjes | verkleinwoord, meervoud |
| studiën | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘bestudering van bepaald vak’ voor het eerst aangetroffen in 1350
Woordfamilie van studie
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| studies | meervoud | studie |
| studietje | verkleinwoord | studie |
| studietjes | verkleinwoord meervoud | studie |
| studiën | meervoud | studie |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van studie zijn vastgelegd.
Afleidingen en samenstellingen
- studieadres
- studieadviseur
- studiebeurs
- studieboek
- studiebol
- studiedag
- studiefinanciering
- studiegenoot
- studiegroep
- studiehuis
- studiejaar
- studiekeuze
- studielandschap
- studieles
- studiemateriaal
- studiemeester
- studiepunt
- studieresultaat
- studierichting
- studieruimte
- studieschuld
- studietijd
- studievaardigheid
- studievak