studeren
werkwoordBetekenis
- het volgen van een opleiding en verwerven van kennis, gewoonlijk aan een universiteit als voornaamste bezigheid
- het zich concentreren op een bepaalde lesstof om zich deze eigen te maken
Vervoeging van studeren
studerenhele werkwoord — studeerdeverleden tijd enkelvoud — studeerdenverleden tijd meervoud — gestudeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | studeer | studeerde |
| jij | studeert | studeerde |
| hij, zij, het | studeert | studeerde |
| wij | studeren | studeerden |
| jullie | studeren | studeerden |
| zij | studeren | studeerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gestudeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gestudeerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gestudeerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gestudeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gestudeerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gestudeerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gestudeerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gestudeerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gestudeerd | verleden tijd, deelwoord |
| gestudeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gestudeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gestudeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gestudeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gestudeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gestudeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gestudeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gestudeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gestudeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gestudeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gestudeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gestudeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gestudeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gestudeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gestudeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gestudeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gestudeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| studeer | gebiedende wijs |
| studeerde | verleden tijd |
| studere | aanvoegende wijs |
| studerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gestudeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te studeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen studeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gestudeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gestudeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gestudeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal studeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal studeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal studeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gestudeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gestudeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gestudeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou studeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou studeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou studeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gestudeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gestudeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gestudeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden studeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden studeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden studeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gestudeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt studeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gestudeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gestudeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gestudeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen studeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen studeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen studeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen studeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gestudeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult studeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘leren’ voor het eerst aangetroffen in 1265
Woordfamilie van studeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gestudeerd | voltooid deelwoord | studeren |
| studeer | gebiedende wijs | studeren |
| studeerde | verleden tijd | studeren |
| studeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | studeren |
| studeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | studeren |
| studere | aanvoegende wijs | studeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van studeren zijn vastgelegd.