Naar de inhoud

stiefelen

stevig doorlopen

stiefelen

werkwoord

Betekenis

  1. stevig doorlopen

Vervoeging van stiefelen

stiefelenhele werkwoord — stiefeldeverleden tijd enkelvoud — stiefeldenverleden tijd meervoud — gestiefeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik stiefel stiefelde
jij stiefelt stiefelde
hij, zij, het stiefelt stiefelde
wij stiefelen stiefelden
jullie stiefelen stiefelden
zij stiefelen stiefelden
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
gestiefeld verleden tijd, deelwoord
gestiefeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gestiefeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gestiefeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gestiefeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gestiefeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gestiefeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gestiefeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gestiefeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gestiefeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gestiefeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gestiefeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gestiefeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gestiefeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gestiefeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gestiefeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gestiefeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gestiefeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
stiefel gebiedende wijs
stiefelde verleden tijd
stiefele aanvoegende wijs
stiefelend onvoltooid, deelwoord
te hebben gestiefeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te stiefelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen stiefelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gestiefeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gestiefeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gestiefeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal stiefelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal stiefelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal stiefelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou gestiefeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gestiefeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gestiefeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou stiefelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou stiefelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou stiefelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gestiefeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gestiefeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gestiefeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden stiefelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden stiefelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden stiefelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gestiefeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt stiefelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gestiefeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gestiefeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gestiefeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen stiefelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen stiefelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen stiefelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen stiefelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gestiefeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult stiefelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘lopen’ voor het eerst aangetroffen in 1961

Woordfamilie van stiefelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gestiefeld voltooid deelwoord stiefelen
stiefel gebiedende wijs stiefelen
stiefelde verleden tijd stiefelen
stiefelden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon stiefelen
stiefele aanvoegende wijs stiefelen
stiefelend onvoltooid deelwoord stiefelen
stiefelende woordvorm stiefelen
stiefelt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon stiefelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stiefelen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over stiefelen

Wat betekent stiefelen?
Stiefelen is een werkwoord. Het woord betekent: stevig doorlopen.
Hoe vervoeg je stiefelen?
Je vervoegt stiefelen als volgt: de tegenwoordige tijd is stiefel, de verleden tijd is stiefelde en het voltooid deelwoord is gestiefeld. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord stiefelen is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. T 2
  3. I 1
  4. E 1
  5. F 4
  6. E 1
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

stiefelen levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. T 2
  3. I 2
  4. E 1
  5. F 4
  6. E 1
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 zonder bonus
  11. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

stiefelen in het kort

stiefelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van stiefelen zijn 32 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort stiefelen bij een woordfamilie van 8 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

stiefelen: stevig doorlopen
Deel stiefelen — standaardnederlands.nl