stapelen
werkwoord ˈstapələ(n)Betekenis
- boven op elkaar leggen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Hoe spreek je stapelen uit?
/ˈstapələn/
Stapelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| a | maan |
| p | pak |
| ə | de |
| l | land |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van stapelen
stapelenhele werkwoord — stapeldeverleden tijd enkelvoud — stapeldenverleden tijd meervoud — gestapeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | stapel | stapelde |
| jij | stapelt | stapelde |
| hij, zij, het | stapelt | stapelde |
| wij | stapelen | stapelden |
| jullie | stapelen | stapelden |
| zij | stapelen | stapelden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gestapeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gestapeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gestapeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gestapeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gestapeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gestapeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gestapeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gestapeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gestapeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gestapeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gestapeld | verleden tijd, deelwoord |
| gestapeld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gestapeld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gestapeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gestapeld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gestapeld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gestapeld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gestapeld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gestapeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gestapeld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gestapeld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gestapeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gestapeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gestapeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gestapeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gestapeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gestapeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gestapeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gestapeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gestapeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gestapeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gestapeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gestapeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gestapeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gestapeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gestapeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gestapeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gestapeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| stapel | gebiedende wijs |
| stapelde | verleden tijd |
| stapele | aanvoegende wijs |
| stapelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gestapeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te stapelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen stapelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gestapeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gestapeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gestapeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gestapeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gestapeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gestapeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gestapeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gestapeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gestapeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gestapeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gestapeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gestapeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gestapeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gestapeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gestapeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gestapeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gestapeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gestapeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gestapeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gestapeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gestapeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gestapeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gestapeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gestapeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gestapeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gestapeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gestapeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal stapelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal stapelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal stapelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gestapeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gestapeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gestapeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gestapeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gestapeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gestapeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gestapeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gestapeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gestapeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gestapeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gestapeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gestapeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gestapeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou stapelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou stapelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou stapelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gestapeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gestapeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gestapeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gestapeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gestapeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gestapeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gestapeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gestapeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gestapeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden stapelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden stapelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden stapelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gestapeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gestapeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gestapeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt stapelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gestapeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gestapeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gestapeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gestapeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gestapeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gestapeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gestapeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gestapeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gestapeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen stapelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen stapelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen stapelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen stapelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gestapeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gestapeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gestapeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult stapelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordfamilie van stapelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gestapeld | voltooid deelwoord | stapelen |
| stapelde | verleden tijd | stapelen |
| stapelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | stapelen |
| stapele | aanvoegende wijs | stapelen |
| stapelend | onvoltooid deelwoord | stapelen |
| stapelende | woordvorm | stapelen |
| stapelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | stapelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stapelen zijn vastgelegd.