Naar de inhoud

spugen

speeksel uit de mond doen uitschieten

spugen

werkwoord /'spy.ɣə(n)/

Betekenis

  1. speeksel uit de mond doen uitschieten
  2. maaginhoud via de mond weer naar buiten werken

Hoe spreek je spugen uit?

/ˈspyxən/

Spugen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈspyxən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
s sok
p pak
y fuut
x acht
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van spugen

spugenhele werkwoord — spoogverleden tijd enkelvoud — spogenverleden tijd meervoud — gespogenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik spuug spoog
jij spuugt spoog
hij, zij, het spuugt spoog
wij spugen spogen
jullie spugen spogen
zij spugen spogen
Alle 93 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is gespuugd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gespuugd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gespuugd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gespuugd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gespuugd impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gespuugd impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gespuugd impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gespuugd impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gespogen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gespogen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gespogen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
gespogen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
gespogen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
gespogen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
gespogen verleden tijd, deelwoord
gespogen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
gespogen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
gespogen voltooid, verleden tijd, derde persoon
gespogen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
gespogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
gespogen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
gespogen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
gespogen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
gespogen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
gespogen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
gespogen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
gespogen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
gespogen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gespogen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
gespogen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
gespogen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
gespogen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
gespogen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gespuugd actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gespuugd actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gespuugd verleden tijd, deelwoord
had gespuugd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gespuugd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gespuugd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gespuugd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gespuugd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gespuugd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gespuugd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gespuugd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gespuugd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gespuugd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gespuugd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gespuugd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebt gespuugd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gespuugd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gespuugd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
spoog verleden tijd
spuge aanvoegende wijs
spugend onvoltooid, deelwoord
spuug gebiedende wijs
spuugde verleden tijd
te hebben gespuugd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te spugen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen spugen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gespuugd voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gespuugd voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gespuugd voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal spugen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal spugen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal spugen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gespuugd voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gespuugd voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gespuugd voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou spugen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou spugen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou spugen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gespuugd voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gespuugd voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gespuugd voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden spugen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden spugen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden spugen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gespuugd voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt spugen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gespuugd voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gespuugd voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gespuugd voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen spugen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen spugen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen spugen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen spugen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gespuugd voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult spugen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘door de mond uitwerpen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1657.

Woordfamilie van spugen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gespogen voltooid deelwoord spugen
gespuugd voltooid deelwoord spugen
gespuugde woordvorm spugen
spogen aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon spugen
spoog verleden tijd spugen
spuge aanvoegende wijs spugen
spugend onvoltooid deelwoord spugen
spugende woordvorm spugen
spuugde verleden tijd spugen
spuugden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon spugen
spuugt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon spugen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van spugen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over spugen

Hoe spreek ik spugen uit?
Zo spreek je spugen uit: /'spy.ɣə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft.
Wat is de betekenis van spugen?
Spugen is een werkwoord. De betekenis is: speeksel uit de mond doen uitschieten. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik spugen?
Zo vervoeg je spugen zo: de tegenwoordige tijd is spuug, de verleden tijd is spoog en het voltooid deelwoord is gespogen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord spugen is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. P 3
  3. U 4
  4. G 3
  5. E 1
  6. N 1
  7. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

spugen levert met Wordfeud minimaal 13 en maximaal 63 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. P 4
  3. U 2
  4. G 3
  5. E 1
  6. N 1
  7. 13 zonder bonus
  8. 63 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

spugen telt 6 letters, waarvan 6 verschillende. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 13.213 woorden van 6 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

spugen in het kort

spugen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van spugen staan er 49 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort spugen bij een woordfamilie van 11 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

spugen: speeksel uit de mond doen uitschieten
Deel spugen — standaardnederlands.nl