sprokkelen
werkwoordBetekenis
- losliggend hout zoeken voor een vuur
- kleine beetjes of waren vergaren bij anderen zonder tegenprestatie of betaling
- valsspelen
Vervoeging van sprokkelen
sprokkelenhele werkwoord — sprokkeldeverleden tijd enkelvoud — sprokkeldenverleden tijd meervoud — gesprokkeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | sprokkel | sprokkelde |
| jij | sprokkelt | sprokkelde |
| hij, zij, het | sprokkelt | sprokkelde |
| wij | sprokkelen | sprokkelden |
| jullie | sprokkelen | sprokkelden |
| zij | sprokkelen | sprokkelden |
Alle 88 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| er is gesprokkeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gesprokkeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gesprokkeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gesprokkeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gesprokkeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gesprokkeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gesprokkeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gesprokkeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gesprokkeld | verleden tijd, deelwoord |
| gesprokkeld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gesprokkeld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gesprokkeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesprokkeld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesprokkeld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesprokkeld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gesprokkeld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gesprokkeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gesprokkeld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gesprokkeld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gesprokkeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gesprokkeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gesprokkeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gesprokkeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gesprokkeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gesprokkeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gesprokkeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gesprokkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesprokkeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gesprokkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesprokkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gesprokkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gesprokkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesprokkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesprokkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gesprokkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sprokkel | gebiedende wijs |
| sprokkelde | verleden tijd |
| sprokkele | aanvoegende wijs |
| sprokkelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gesprokkeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te sprokkelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen sprokkelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waren gesprokkeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gesprokkeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gesprokkeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden gesprokkeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden gesprokkeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gesprokkeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gesprokkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesprokkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesprokkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gesprokkeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gesprokkeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal sprokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal sprokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal sprokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gesprokkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou gesprokkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesprokkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesprokkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gesprokkeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gesprokkeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou sprokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou sprokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou sprokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesprokkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesprokkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesprokkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gesprokkeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gesprokkeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden sprokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden sprokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden sprokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesprokkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt sprokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesprokkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesprokkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesprokkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gesprokkeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gesprokkeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen sprokkelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen sprokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen sprokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen sprokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gesprokkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult sprokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘takken bijeenzamelen’ voor het eerst aangetroffen in 1357
Woordfamilie van sprokkelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gesprokkeld | voltooid deelwoord | sprokkelen |
| gesprokkelde | woordvorm | sprokkelen |
| sprokkelde | verleden tijd | sprokkelen |
| sprokkelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | sprokkelen |
| sprokkele | aanvoegende wijs | sprokkelen |
| sprokkelend | onvoltooid deelwoord | sprokkelen |
| sprokkelende | woordvorm | sprokkelen |
| sprokkelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | sprokkelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van sprokkelen zijn vastgelegd.