Naar de inhoud

sprokkelen

losliggend hout zoeken voor een vuur

sprokkelen

werkwoord

Betekenis

  1. losliggend hout zoeken voor een vuur
  2. kleine beetjes of waren vergaren bij anderen zonder tegenprestatie of betaling
  3. valsspelen

Vervoeging van sprokkelen

sprokkelenhele werkwoord — sprokkeldeverleden tijd enkelvoud — sprokkeldenverleden tijd meervoud — gesprokkeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik sprokkel sprokkelde
jij sprokkelt sprokkelde
hij, zij, het sprokkelt sprokkelde
wij sprokkelen sprokkelden
jullie sprokkelen sprokkelden
zij sprokkelen sprokkelden
Alle 88 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
er is gesprokkeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gesprokkeld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gesprokkeld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gesprokkeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gesprokkeld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gesprokkeld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gesprokkeld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gesprokkeld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gesprokkeld verleden tijd, deelwoord
gesprokkeld te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gesprokkeld te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gesprokkeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gesprokkeld te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gesprokkeld te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gesprokkeld worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gesprokkeld zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gesprokkeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gesprokkeld zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gesprokkeld zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gesprokkeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gesprokkeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gesprokkeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gesprokkeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gesprokkeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gesprokkeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gesprokkeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gesprokkeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gesprokkeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gesprokkeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gesprokkeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gesprokkeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gesprokkeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gesprokkeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gesprokkeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gesprokkeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
sprokkel gebiedende wijs
sprokkelde verleden tijd
sprokkele aanvoegende wijs
sprokkelend onvoltooid, deelwoord
te hebben gesprokkeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te sprokkelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen sprokkelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waren gesprokkeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gesprokkeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gesprokkeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werden gesprokkeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
worden gesprokkeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gesprokkeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
zal gesprokkeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gesprokkeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gesprokkeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gesprokkeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gesprokkeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal sprokkelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal sprokkelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal sprokkelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gesprokkeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zou gesprokkeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gesprokkeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gesprokkeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gesprokkeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gesprokkeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou sprokkelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou sprokkelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou sprokkelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gesprokkeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gesprokkeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gesprokkeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gesprokkeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gesprokkeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden sprokkelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden sprokkelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden sprokkelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gesprokkeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt sprokkelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gesprokkeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gesprokkeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gesprokkeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gesprokkeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gesprokkeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen sprokkelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen sprokkelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen sprokkelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen sprokkelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gesprokkeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult sprokkelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘takken bijeenzamelen’ voor het eerst aangetroffen in 1357

Woordfamilie van sprokkelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gesprokkeld voltooid deelwoord sprokkelen
gesprokkelde woordvorm sprokkelen
sprokkelde verleden tijd sprokkelen
sprokkelden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon sprokkelen
sprokkele aanvoegende wijs sprokkelen
sprokkelend onvoltooid deelwoord sprokkelen
sprokkelende woordvorm sprokkelen
sprokkelt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon sprokkelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van sprokkelen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over sprokkelen

Wat betekent sprokkelen?
Sprokkelen is een werkwoord. Het woord betekent: losliggend hout zoeken voor een vuur. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je sprokkelen?
Je vervoegt sprokkelen als volgt: de tegenwoordige tijd is sprokkel, de verleden tijd is sprokkelde en het voltooid deelwoord is gesprokkeld. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord sprokkelen is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. P 3
  3. R 2
  4. O 1
  5. K 3
  6. K 3
  7. E 1
  8. L 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

sprokkelen levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. P 4
  3. R 2
  4. O 1
  5. K 3
  6. K 3
  7. E 1
  8. L 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 zonder bonus
  12. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

sprokkelen in het kort

sprokkelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van sprokkelen zijn 65 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort sprokkelen bij een woordfamilie van 8 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

sprokkelen: losliggend hout zoeken voor een vuur
Deel sprokkelen — standaardnederlands.nl