spore
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- voortplantingscel bij enkele eencellige dieren en bij lagere planten
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| sporen | meervoud |
| sporetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| sporetjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- aanvoegende wijs van sporen
Vervoeging van spore
sporehele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het modern Latijn, in de betekenis van ‘voortplantingscel’ voor het eerst aangetroffen in 1868
Woordfamilie van spore
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| sporetje | verkleinwoord | spore |
| sporetjes | verkleinwoord meervoud | spore |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van spore zijn vastgelegd.