spoed
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- noodzakelijke haast
- de afstand tussen twee punten van een schroefdraad die verschillen door één omwenteling
- de afdeling in een ziekenhuis waar patiënten die snel hulp nodig hebben behandeld worden
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| spoedje | verkleinwoord, enkelvoud |
| spoedjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spoeden
- gebiedende wijs van spoeden
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spoeden
Vervoeging van spoed
spoedhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘haast’ voor het eerst aangetroffen in 1265
Woordfamilie van spoed
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| spoedje | verkleinwoord | spoed |
| spoedjes | verkleinwoord meervoud | spoed |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van spoed zijn vastgelegd.