splinteren
werkwoordBetekenis
- tot splinters breken
- splinters afgeven
Vervoeging van splinteren
splinterenhele werkwoord — splinterdeverleden tijd enkelvoud — splinterdenverleden tijd meervoud — gesplinterdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | splinter | splinterde |
| jij | splintert | splinterde |
| hij, zij, het | splintert | splinterde |
| wij | splinteren | splinterden |
| jullie | splinteren | splinterden |
| zij | splinteren | splinterden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gesplinterd | verleden tijd, deelwoord |
| gesplinterd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesplinterd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gesplinterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gesplinterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gesplinterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gesplinterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gesplinterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gesplinterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gesplinterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gesplinterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesplinterd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gesplinterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesplinterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gesplinterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gesplinterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesplinterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesplinterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| splinter | gebiedende wijs |
| splinterde | verleden tijd |
| splintere | aanvoegende wijs |
| splinterend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gesplinterd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te splinteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen splinteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gesplinterd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesplinterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesplinterd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal splinteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal splinteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal splinteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gesplinterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesplinterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesplinterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou splinteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou splinteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou splinteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesplinterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesplinterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesplinterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden splinteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden splinteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden splinteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesplinterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt splinteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesplinterd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesplinterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesplinterd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen splinteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen splinteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen splinteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen splinteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gesplinterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult splinteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van splinter met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van splinteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gesplinterd | voltooid deelwoord | splinteren |
| splinterde | verleden tijd | splinteren |
| splinterden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | splinteren |
| splintere | aanvoegende wijs | splinteren |
| splinterend | onvoltooid deelwoord | splinteren |
| splinterende | woordvorm | splinteren |
| splintert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | splinteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van splinteren zijn vastgelegd.