spijzigen
werkwoordBetekenis
- van een maaltijd voorzien
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van spijzigen
spijzigenhele werkwoord — spijzigdeverleden tijd enkelvoud — spijzigdenverleden tijd meervoud — gespijzigdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | spijzig | spijzigde |
| jij | spijzigt | spijzigde |
| hij, zij, het | spijzigt | spijzigde |
| wij | spijzigen | spijzigden |
| jullie | spijzigen | spijzigden |
| zij | spijzigen | spijzigden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gespijzigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gespijzigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gespijzigd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gespijzigd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gespijzigd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gespijzigd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gespijzigd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gespijzigd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gespijzigd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gespijzigd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gespijzigd | verleden tijd, deelwoord |
| gespijzigd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gespijzigd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gespijzigd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gespijzigd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gespijzigd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gespijzigd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gespijzigd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gespijzigd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gespijzigd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gespijzigd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gespijzigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gespijzigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gespijzigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gespijzigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gespijzigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gespijzigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gespijzigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gespijzigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gespijzigd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gespijzigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gespijzigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gespijzigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gespijzigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gespijzigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gespijzigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gespijzigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gespijzigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| spijzig | gebiedende wijs |
| spijzigde | verleden tijd |
| spijzige | aanvoegende wijs |
| spijzigend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gespijzigd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te spijzigen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen spijzigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gespijzigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gespijzigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gespijzigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gespijzigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gespijzigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gespijzigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gespijzigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gespijzigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gespijzigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gespijzigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gespijzigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gespijzigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gespijzigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gespijzigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gespijzigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gespijzigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gespijzigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gespijzigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gespijzigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gespijzigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gespijzigd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gespijzigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gespijzigd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gespijzigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gespijzigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gespijzigd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gespijzigd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal spijzigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal spijzigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal spijzigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gespijzigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gespijzigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gespijzigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gespijzigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gespijzigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gespijzigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gespijzigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gespijzigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gespijzigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gespijzigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gespijzigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gespijzigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gespijzigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou spijzigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou spijzigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou spijzigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gespijzigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gespijzigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gespijzigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gespijzigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gespijzigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gespijzigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gespijzigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gespijzigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gespijzigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden spijzigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden spijzigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden spijzigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gespijzigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gespijzigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gespijzigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt spijzigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gespijzigd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gespijzigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gespijzigd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gespijzigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gespijzigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gespijzigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gespijzigd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gespijzigd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gespijzigd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen spijzigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen spijzigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen spijzigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen spijzigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gespijzigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gespijzigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gespijzigd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult spijzigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van spijs met het achtervoegsel -ig
Woordfamilie van spijzigen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gespijzigd | voltooid deelwoord | spijzigen |
| gespijzigde | woordvorm | spijzigen |
| spijzig | gebiedende wijs | spijzigen |
| spijzigde | verleden tijd | spijzigen |
| spijzigden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | spijzigen |
| spijzige | aanvoegende wijs | spijzigen |
| spijzigend | onvoltooid deelwoord | spijzigen |
| spijzigende | woordvorm | spijzigen |
| spijzigt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | spijzigen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van spijzigen zijn vastgelegd.