spijs
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- bereid voedsel
- min of meer vloeibaar of kneedbaar mengsel, dat gebruikt wordt voor de bereiding van bepaalde producten
- door baggeren of uitgraven verkregen grond
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- bereid voedsel; maaltijd
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| spijsje | verkleinwoord, enkelvoud |
| spijsjes | verkleinwoord, meervoud |
| spijzen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spijzen
- gebiedende wijs van spijzen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spijzen
Vervoeging van spijs
spijshele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘voedsel’ voor het eerst aangetroffen in 1236
Woordfamilie van spijs
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| spijsje | verkleinwoord | spijs |
| spijsjes | verkleinwoord meervoud | spijs |
| spijzen | meervoud | spijs |
| gespijsd | woordvorm | spijzen |
| gespijsde | woordvorm | spijzen |
| spijsde | woordvorm | spijzen |
| spijsden | woordvorm | spijzen |
| spijst | woordvorm | spijzen |
| spijze | woordvorm | spijzen |
| spijzend | woordvorm | spijzen |
| spijzende | woordvorm | spijzen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van spijs zijn vastgelegd.