spenderen
werkwoordBetekenis
- besteden
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van spenderen
spenderenhele werkwoord — spendeerdeverleden tijd enkelvoud — spendeerdenverleden tijd meervoud — gespendeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | spendeer | spendeerde |
| jij | spendeert | spendeerde |
| hij, zij, het | spendeert | spendeerde |
| wij | spenderen | spendeerden |
| jullie | spenderen | spendeerden |
| zij | spenderen | spendeerden |
Alle 88 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| er is gespendeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gespendeerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gespendeerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gespendeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gespendeerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gespendeerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gespendeerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gespendeerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gespendeerd | verleden tijd, deelwoord |
| gespendeerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gespendeerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gespendeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gespendeerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gespendeerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gespendeerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gespendeerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gespendeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gespendeerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gespendeerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gespendeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gespendeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gespendeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gespendeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gespendeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gespendeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gespendeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gespendeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gespendeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gespendeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gespendeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gespendeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gespendeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gespendeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gespendeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gespendeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| spendeer | gebiedende wijs |
| spendeerde | verleden tijd |
| spendere | aanvoegende wijs |
| spenderend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gespendeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te spenderen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen spenderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waren gespendeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gespendeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gespendeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden gespendeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden gespendeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gespendeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gespendeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gespendeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gespendeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gespendeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gespendeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal spenderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal spenderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal spenderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gespendeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou gespendeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gespendeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gespendeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gespendeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gespendeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou spenderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou spenderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou spenderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gespendeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gespendeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gespendeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gespendeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gespendeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden spenderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden spenderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden spenderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gespendeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt spenderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gespendeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gespendeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gespendeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gespendeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gespendeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen spenderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen spenderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen spenderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen spenderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gespendeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult spenderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het middeleeuws Latijn, in de betekenis van ‘besteden’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1659
Woordfamilie van spenderen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gespendeerd | voltooid deelwoord | spenderen |
| gespendeerde | woordvorm | spenderen |
| spendeer | gebiedende wijs | spenderen |
| spendeerde | verleden tijd | spenderen |
| spendeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | spenderen |
| spendeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | spenderen |
| spendere | aanvoegende wijs | spenderen |
| spenderend | onvoltooid deelwoord | spenderen |
| spenderende | woordvorm | spenderen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van spenderen zijn vastgelegd.