snuffen
werkwoordBetekenis
- de neus ophalen
- snuffelen, lucht opsnuiven, rondzoeken
Vervoeging van snuffen
snuffenhele werkwoord — snufteverleden tijd enkelvoud — snuftenverleden tijd meervoud — gesnuftvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | snuf | snufte |
| jij | snuft | snufte |
| hij, zij, het | snuft | snufte |
| wij | snuffen | snuften |
| jullie | snuffen | snuften |
| zij | snuffen | snuften |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gesnuft | verleden tijd, deelwoord |
| gesnuft te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesnuft zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gesnuft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gesnuft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gesnuft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gesnuft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gesnuft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gesnuft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gesnuft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gesnuft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesnuft | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gesnuft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesnuft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gesnuft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gesnuft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesnuft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesnuft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| snuf | gebiedende wijs |
| snuffe | aanvoegende wijs |
| snuffend | onvoltooid, deelwoord |
| snufte | verleden tijd |
| te hebben gesnuft | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te snuffen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen snuffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gesnuft hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesnuft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesnuft hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal snuffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal snuffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal snuffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gesnuft hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesnuft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesnuft hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou snuffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou snuffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou snuffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesnuft hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesnuft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesnuft hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden snuffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden snuffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden snuffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesnuft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt snuffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesnuft hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesnuft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesnuft hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen snuffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen snuffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen snuffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen snuffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gesnuft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult snuffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
intensief van snuiven
Woordfamilie van snuffen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gesnuft | voltooid deelwoord | snuffen |
| snuffe | aanvoegende wijs | snuffen |
| snuffend | onvoltooid deelwoord | snuffen |
| snuffende | woordvorm | snuffen |
| snuft | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | snuffen |
| snufte | verleden tijd | snuffen |
| snuften | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | snuffen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van snuffen zijn vastgelegd.