snuffelen
werkwoord ˈsnʏfələ(n)Betekenis
- aandachtig ruiken
- nieuwsgierig en vaak ook heimelijk doorzoeken
Hoe spreek je snuffelen uit?
/ˈsnʏfələn/
Snuffelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| n | nek |
| ʏ | put |
| f | fiets |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van snuffelen
snuffelenhele werkwoord — snuffeldeverleden tijd enkelvoud — snuffeldenverleden tijd meervoud — gesnuffeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | snuffel | snuffelde |
| jij | snuffelt | snuffelde |
| hij, zij, het | snuffelt | snuffelde |
| wij | snuffelen | snuffelden |
| jullie | snuffelen | snuffelden |
| zij | snuffelen | snuffelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gesnuffeld | verleden tijd, deelwoord |
| gesnuffeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesnuffeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gesnuffeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gesnuffeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gesnuffeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gesnuffeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gesnuffeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gesnuffeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gesnuffeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gesnuffeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesnuffeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gesnuffeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesnuffeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gesnuffeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gesnuffeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesnuffeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesnuffeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| snuffel | gebiedende wijs |
| snuffelde | verleden tijd |
| snuffele | aanvoegende wijs |
| snuffelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gesnuffeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te snuffelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen snuffelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gesnuffeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesnuffeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesnuffeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal snuffelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal snuffelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal snuffelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gesnuffeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesnuffeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesnuffeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou snuffelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou snuffelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou snuffelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesnuffeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesnuffeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesnuffeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden snuffelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden snuffelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden snuffelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesnuffeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt snuffelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesnuffeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesnuffeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesnuffeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen snuffelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen snuffelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen snuffelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen snuffelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gesnuffeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult snuffelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘lucht opsnuiven’ voor het eerst aangetroffen in 1629
Woordfamilie van snuffelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gesnuffeld | voltooid deelwoord | snuffelen |
| snuffel | gebiedende wijs | snuffelen |
| snuffelde | verleden tijd | snuffelen |
| snuffelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | snuffelen |
| snuffele | aanvoegende wijs | snuffelen |
| snuffelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | snuffelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van snuffelen zijn vastgelegd.