snorkel
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- een holle gebogen buis van rubber of plastic, met een mondstuk, dat je in staat stelt adem te halen als je aan het wateroppervlak zwemt met je hoofd onder water, onderdeel van een snorkeluitrusting of duikuitrusting
- een toestel voor luchtverversing in een onderzeeboot
- snorkelen.
- snuiver.
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van snorkelen
- gebiedende wijs van snorkelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van snorkelen
Vervoeging van snorkel
snorkelhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘luchtpijpje bij het zwemmen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1957
Woordfamilie van snorkel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| snorkels | meervoud | snorkel |
| snorkeltje | woordvorm | snorkel |
| snorkeltjes | meervoud | snorkel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van snorkel zijn vastgelegd.