snoepen
werkwoordBetekenis
- eten van snoep
- iets eten, proeven of proberen vooral om de smaak en niet om de voedingswaarde (ook in de figuurlijke zin)
Vervoeging van snoepen
snoepenhele werkwoord — snoepteverleden tijd enkelvoud — snoeptenverleden tijd meervoud — gesnoeptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | snoep | snoepte |
| jij | snoept | snoepte |
| hij, zij, het | snoept | snoepte |
| wij | snoepen | snoepten |
| jullie | snoepen | snoepten |
| zij | snoepen | snoepten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gesnoept | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gesnoept | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gesnoept | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gesnoept | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gesnoept worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gesnoept zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gesnoept worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gesnoept zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gesnoept | verleden tijd, deelwoord |
| gesnoept te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesnoept zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gesnoept | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gesnoept | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gesnoept | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gesnoept | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gesnoept | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gesnoept | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gesnoept | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gesnoept | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesnoept | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gesnoept | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesnoept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gesnoept | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gesnoept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesnoept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesnoept | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| snoep | gebiedende wijs |
| snoepe | aanvoegende wijs |
| snoepend | onvoltooid, deelwoord |
| snoepte | verleden tijd |
| te hebben gesnoept | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te snoepen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen snoepen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gesnoept hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesnoept hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesnoept hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal snoepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal snoepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal snoepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gesnoept hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesnoept hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesnoept hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou snoepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou snoepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou snoepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesnoept hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesnoept hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesnoept hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden snoepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden snoepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden snoepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesnoept hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt snoepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesnoept hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesnoept hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesnoept hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen snoepen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen snoepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen snoepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen snoepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gesnoept hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult snoepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘lekkernijen eten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1573
Woordfamilie van snoepen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gesnoept | voltooid deelwoord | snoepen |
| gesnoepte | woordvorm | snoepen |
| snoepe | aanvoegende wijs | snoepen |
| snoepend | onvoltooid deelwoord | snoepen |
| snoepende | woordvorm | snoepen |
| snoept | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | snoepen |
| snoepte | verleden tijd | snoepen |
| snoepten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | snoepen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van snoepen zijn vastgelegd.