Naar de inhoud

sneeuwruimen

wegen, trottoirs, enz. sneeuwvrij maken

sneeuwruimen is meer dan één woord

sneeuwruimen

werkwoord, zelfstandig naamwoord /snewrœymə(n)/

Betekenis

  1. wegen, trottoirs, enz. sneeuwvrij maken
  2. de verwijdering van sneeuw van wegen, trottoirs, enz.

Hoe spreek je sneeuwruimen uit?

/snewrœymən/

Sneeuwruimen bestaat uit drie lettergrepen.

De tekens in /snewrœymən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
s sok
n nek
e veel
w quiz
r rood
œy huis
m maan
ə de

Vervoeging van sneeuwruimen

sneeuwruimenhele werkwoord — ruimde sneeuwverleden tijd enkelvoud — ruimden sneeuwverleden tijd meervoud — sneeuwgeruimdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik ruim sneeuw ruimde sneeuw
jij ruimt sneeuw ruimde sneeuw
hij, zij, het ruimt sneeuw ruimde sneeuw
wij ruimen sneeuw ruimden sneeuw
jullie ruimen sneeuw ruimden sneeuw
zij ruimen sneeuw ruimden sneeuw
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had sneeuwgeruimd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had sneeuwgeruimd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had sneeuwgeruimd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden sneeuwgeruimd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden sneeuwgeruimd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden sneeuwgeruimd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt sneeuwgeruimd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb sneeuwgeruimd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben sneeuwgeruimd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben sneeuwgeruimd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben sneeuwgeruimd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben sneeuwgeruimd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt sneeuwgeruimd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft sneeuwgeruimd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft sneeuwgeruimd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
ruim sneeuw gebiedende wijs
ruimde sneeuw verleden tijd
sneeuw te ruimen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
sneeuw te zullen ruimen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
sneeuw zal ruimen bijzin, toekomende tijd
sneeuw zou ruimen bijzin, voorwaardelijk
sneeuw zouden ruimen bijzin, voorwaardelijk
sneeuw zoudt ruimen bijzin, voorwaardelijk
sneeuw zullen ruimen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
sneeuw zullen ruimen bijzin, toekomende tijd
sneeuw zult ruimen bijzin, toekomende tijd
sneeuwgeruimd verleden tijd, deelwoord
sneeuwgeruimd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
sneeuwgeruimd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
sneeuwruim bijzin, tegenwoordige tijd
sneeuwruimde bijzin, verleden tijd
sneeuwruimden bijzin, verleden tijd
sneeuwruimend onvoltooid, deelwoord
sneeuwruimt bijzin, tegenwoordige tijd
te hebben sneeuwgeruimd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen sneeuwruimen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal sneeuwgeruimd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal sneeuwgeruimd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal sneeuwgeruimd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal sneeuwruimen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal sneeuwruimen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal sneeuwruimen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal sneeuwruimen bijzin, toekomende tijd
zou sneeuwgeruimd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou sneeuwgeruimd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou sneeuwgeruimd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou sneeuwruimen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou sneeuwruimen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou sneeuwruimen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou sneeuwruimen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) sneeuwruimen sneeuw zou(dt) ruimen bijzin, voorwaardelijk
zouden sneeuwgeruimd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden sneeuwgeruimd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden sneeuwgeruimd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden sneeuwruimen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden sneeuwruimen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden sneeuwruimen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden sneeuwruimen bijzin, voorwaardelijk
zoudt sneeuwgeruimd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt sneeuwruimen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt sneeuwruimen bijzin, voorwaardelijk
zullen sneeuwgeruimd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen sneeuwgeruimd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen sneeuwgeruimd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen sneeuwruimen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen sneeuwruimen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen sneeuwruimen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen sneeuwruimen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen sneeuwruimen bijzin, toekomende tijd
zult sneeuwgeruimd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult sneeuwruimen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult sneeuwruimen bijzin, toekomende tijd
zult/zal sneeuwruimen sneeuw zult/zal ruimen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van sneeuw en ruimen

Woordfamilie van sneeuwruimen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
ruim sneeuw gebiedende wijs sneeuwruimen
ruimde sneeuw verleden tijd sneeuwruimen
ruimden sneeuw aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon sneeuwruimen
ruime sneeuw woordvorm sneeuwruimen
ruimen sneeuw aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon sneeuwruimen
ruimt sneeuw aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon sneeuwruimen
sneeuwgeruimd voltooid deelwoord sneeuwruimen
sneeuwruim subordinate-clause, tegenwoordige tijd sneeuwruimen
sneeuwruimde subordinate-clause, verleden tijd sneeuwruimen
sneeuwruimden subordinate-clause, verleden tijd sneeuwruimen
sneeuwruime with-subordinate-clause sneeuwruimen
sneeuwruimend onvoltooid deelwoord sneeuwruimen
sneeuwruimende woordvorm sneeuwruimen
sneeuwruimt subordinate-clause, tegenwoordige tijd sneeuwruimen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van sneeuwruimen zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over sneeuwruimen

Hoe spreek ik sneeuwruimen uit?
Zo spreek je sneeuwruimen uit: /snewrœymə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft.
Wat is de betekenis van sneeuwruimen?
Sneeuwruimen is een werkwoord. De betekenis is: wegen, trottoirs, enz. sneeuwvrij maken. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik sneeuwruimen?
Zo vervoeg je sneeuwruimen zo: het voltooid deelwoord is sneeuwgeruimd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord sneeuwruimen is 26 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. N 1
  3. E 1
  4. E 1
  5. U 4
  6. W 5
  7. R 2
  8. U 4
  9. I 1
  10. M 3
  11. E 1
  12. N 1
  13. 26 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

sneeuwruimen levert met Wordfeud minimaal 23 en maximaal 99 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. N 1
  3. E 1
  4. E 1
  5. U 2
  6. W 5
  7. R 2
  8. U 2
  9. I 2
  10. M 3
  11. E 1
  12. N 1
  13. 23 zonder bonus
  14. 99 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

sneeuwruimen in het kort

sneeuwruimen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van sneeuwruimen staan er 45 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort sneeuwruimen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

sneeuwruimen: wegen, trottoirs, enz. sneeuwvrij maken
Deel sneeuwruimen — standaardnederlands.nl