snateren
werkwoordBetekenis
- een geluid voortbrengen zoals dat van eenden
- luidkeels praten
Vervoeging van snateren
snaterenhele werkwoord — snaterdeverleden tijd enkelvoud — snaterdenverleden tijd meervoud — gesnaterdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | snater | snaterde |
| jij | snatert | snaterde |
| hij, zij, het | snatert | snaterde |
| wij | snateren | snaterden |
| jullie | snateren | snaterden |
| zij | snateren | snaterden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gesnaterd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gesnaterd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gesnaterd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gesnaterd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gesnaterd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gesnaterd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gesnaterd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gesnaterd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gesnaterd | verleden tijd, deelwoord |
| gesnaterd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesnaterd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gesnaterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gesnaterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gesnaterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gesnaterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gesnaterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gesnaterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gesnaterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gesnaterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesnaterd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gesnaterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesnaterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gesnaterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gesnaterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesnaterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesnaterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| snater | gebiedende wijs |
| snaterde | verleden tijd |
| snatere | aanvoegende wijs |
| snaterend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gesnaterd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te snateren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen snateren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gesnaterd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesnaterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesnaterd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal snateren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal snateren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal snateren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gesnaterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesnaterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesnaterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou snateren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou snateren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou snateren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesnaterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesnaterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesnaterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden snateren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden snateren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden snateren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesnaterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt snateren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesnaterd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesnaterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesnaterd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen snateren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen snateren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen snateren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen snateren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gesnaterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult snateren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘een druk geluid maken (van vogels)’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1437
Woordfamilie van snateren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gesnaterd | voltooid deelwoord | snateren |
| snaterde | verleden tijd | snateren |
| snaterden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | snateren |
| snatere | aanvoegende wijs | snateren |
| snaterend | onvoltooid deelwoord | snateren |
| snaterende | woordvorm | snateren |
| snatert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | snateren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van snateren zijn vastgelegd.