| ev. |
gebiedende wijs
|
| gesmart |
verleden tijd, deelwoord
|
| gesmart te zullen hebben |
actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
|
| gesmart zullen hebben |
actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
|
| had gesmart |
voltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| had gesmart |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| had gesmart |
voltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| hadden gesmart |
voltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| hadden gesmart |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| hadden gesmart |
voltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| hadt gesmart |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| heb gesmart |
voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| hebben gesmart |
actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
|
| hebben gesmart |
voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| hebben gesmart |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| hebben gesmart |
voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| hebt gesmart |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| heeft gesmart |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| heeft gesmart |
voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| smart |
gebiedende wijs
|
| smarte |
aanvoegende wijs
|
| smartend |
onvoltooid, deelwoord
|
| smartte |
verleden tijd
|
| te hebben gesmart |
actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
|
| te smarten |
actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
|
| te zullen smarten |
actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
|
| zal gesmart hebben |
voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zal gesmart hebben |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zal gesmart hebben |
voltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zal smarten |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
|
| zal smarten |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
|
| zal smarten |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
|
| zou gesmart hebben |
voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zou gesmart hebben |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zou gesmart hebben |
voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zou smarten |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
|
| zou smarten |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
|
| zou smarten |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
|
| zouden gesmart hebben |
voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zouden gesmart hebben |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zouden gesmart hebben |
voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zouden smarten |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
|
| zouden smarten |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
|
| zouden smarten |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
|
| zoudt gesmart hebben |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zoudt smarten |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
|
| zullen gesmart hebben |
voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zullen gesmart hebben |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zullen gesmart hebben |
voltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zullen smarten |
actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
|
| zullen smarten |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
|
| zullen smarten |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
|
| zullen smarten |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
|
| zult gesmart hebben |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zult smarten |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
|