sluier
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈslœyjərBetekenis
- dunne doek, waarmee men een lichaamsdeel of het gezicht bedekt
- onbedoelde zwarting van de gevoelige laag van foto's waardoor er een wit waas over de afbeelding komt
Hoe spreek je sluier uit?
/ˈslœyjər/
Sluier bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| l | land |
| œy | huis |
| j | ja |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| sluiers | meervoud |
| sluiertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| sluiertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sluieren
- gebiedende wijs van sluieren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sluieren
Vervoeging van sluier
sluierhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘doorzichtige doek’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1527
Woordfamilie van sluier
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| sluiers | meervoud | sluier |
| sluiertje | verkleinwoord | sluier |
| sluiertjes | verkleinwoord meervoud | sluier |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van sluier zijn vastgelegd.