schuier
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈsxœyjərBetekenis
- werktuig waarmee met een schraapbeweging een weefsel ontdaan kan worden van stof en pluis
- (Suriname) tandenborstel
Hoe spreek je schuier uit?
/ˈsxœyjər/
Schuier bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| x | acht |
| œy | huis |
| j | ja |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- tandenborstel
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| schuiers | meervoud |
| schuiertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| schuiertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schuieren
- gebiedende wijs van schuieren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schuieren
Vervoeging van schuier
schuierhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘borstel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1623
Woordfamilie van schuier
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schuiers | meervoud | schuier |
| schuiertje | verkleinwoord | schuier |
| schuiertjes | verkleinwoord meervoud | schuier |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schuier zijn vastgelegd.