slepen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- trekkend over de grond of het wateroppervlak verplaatsen
- zich ~ moeizaam voortbewegen
Vervoeging van slepen
slepenhele werkwoord — sleepteverleden tijd enkelvoud — sleeptenverleden tijd meervoud — gesleeptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | sleep | sleepte |
| jij | sleept | sleepte |
| hij, zij, het | sleept | sleepte |
| wij | slepen | sleepten |
| jullie | slepen | sleepten |
| zij | slepen | sleepten |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gesleept | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gesleept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gesleept | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gesleept | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gesleept | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gesleept | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gesleept worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gesleept zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gesleept worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gesleept zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gesleept | verleden tijd, deelwoord |
| gesleept te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gesleept te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gesleept te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesleept te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesleept te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesleept worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gesleept zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gesleept zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gesleept zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gesleept zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gesleept | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gesleept | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gesleept | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gesleept | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gesleept | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gesleept | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gesleept | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gesleept | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesleept | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gesleept | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesleept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gesleept | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gesleept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesleept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesleept | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gesleept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gesleept | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sleep | gebiedende wijs |
| sleep me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| sleep u/je , sleept je | gebiedende wijs |
| sleept je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| sleept u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| sleept u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| sleept zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| sleept zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| sleept zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| sleepte | verleden tijd |
| sleepte je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| sleepte me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| sleepte u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| sleepte u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| sleepte zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| sleepte zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| sleepte zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| sleepten je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| sleepten ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| sleepten zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| slepe | aanvoegende wijs |
| slepe zich | aanvoegende wijs |
| slepen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| slepen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| slepen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| slepend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gesleept | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te slepen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen slepen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gesleept | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gesleept | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gesleept | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gesleept | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gesleept | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gesleept | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gesleept | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gesleept | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gesleept | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gesleept | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gesleept | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gesleept | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gesleept | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gesleept | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gesleept | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gesleept | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gesleept | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gesleept | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gesleept | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gesleept | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gesleept hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesleept hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesleept hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gesleept worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesleept worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gesleept zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesleept zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal me slepen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal slepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal slepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal slepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal zich slepen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je slepen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich gesleept hebben | verleden tijd |
| zich slepend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn gesleept | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gesleept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gesleept | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gesleept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gesleept hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesleept hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesleept hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gesleept worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesleept worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gesleept worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesleept zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesleept zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesleept zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou slepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou slepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou slepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesleept hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesleept hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesleept hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gesleept worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gesleept worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gesleept worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gesleept zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesleept zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesleept zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden slepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden slepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden slepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesleept hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gesleept worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gesleept zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt slepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesleept hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesleept hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesleept hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gesleept worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van slijpen
Vervoeging van slepen
slepenhele werkwoord — sleepteverleden tijd enkelvoud — sleeptenverleden tijd meervoud — gesleeptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | sleep | sleepte |
| jij | sleept | sleepte |
| hij, zij, het | sleept | sleepte |
| wij | slepen | sleepten |
| jullie | slepen | sleepten |
| zij | slepen | sleepten |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gesleept | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gesleept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gesleept | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gesleept | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gesleept | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gesleept | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gesleept worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gesleept zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gesleept worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gesleept zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gesleept | verleden tijd, deelwoord |
| gesleept te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gesleept te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gesleept te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesleept te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesleept te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesleept worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gesleept zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gesleept zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gesleept zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gesleept zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gesleept | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gesleept | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gesleept | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gesleept | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gesleept | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gesleept | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gesleept | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gesleept | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesleept | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gesleept | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesleept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gesleept | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gesleept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesleept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesleept | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gesleept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gesleept | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sleep | gebiedende wijs |
| sleep me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| sleep u/je , sleept je | gebiedende wijs |
| sleept je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| sleept u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| sleept u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| sleept zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| sleept zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| sleept zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| sleepte | verleden tijd |
| sleepte je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| sleepte me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| sleepte u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| sleepte u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| sleepte zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| sleepte zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| sleepte zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| sleepten je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| sleepten ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| sleepten zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| slepe | aanvoegende wijs |
| slepe zich | aanvoegende wijs |
| slepen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| slepen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| slepen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| slepend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gesleept | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te slepen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen slepen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gesleept | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gesleept | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gesleept | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gesleept | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gesleept | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gesleept | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gesleept | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gesleept | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gesleept | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gesleept | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gesleept | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gesleept | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gesleept | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gesleept | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gesleept | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gesleept | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gesleept | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gesleept | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gesleept | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gesleept | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gesleept hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesleept hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesleept hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gesleept worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesleept worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gesleept zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesleept zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal me slepen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal slepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal slepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal slepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal zich slepen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je slepen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich gesleept hebben | verleden tijd |
| zich slepend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn gesleept | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gesleept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gesleept | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gesleept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gesleept hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesleept hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesleept hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gesleept worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesleept worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gesleept worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesleept zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesleept zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesleept zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou slepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou slepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou slepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesleept hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesleept hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesleept hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gesleept worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gesleept worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gesleept worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gesleept zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesleept zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesleept zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden slepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden slepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden slepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesleept hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gesleept worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gesleept zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt slepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesleept hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesleept hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesleept hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gesleept worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord sleep
Herkomst
In de betekenis van ‘voorttrekken’ voor het eerst aangetroffen in 1285
Woordfamilie van slepen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gesleept | voltooid deelwoord | slepen |
| gesleepte | woordvorm | slepen |
| sleept | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | slepen |
| sleepte | verleden tijd | slepen |
| sleepten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | slepen |
| slepe | aanvoegende wijs | slepen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van slepen zijn vastgelegd.