Naar de inhoud

slepen

trekkend over de grond of het wateroppervlak verplaatsen

slepen is meer dan één woord

slepen

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. trekkend over de grond of het wateroppervlak verplaatsen
  2. zich ~ moeizaam voortbewegen

Vervoeging van slepen

slepenhele werkwoord — sleepteverleden tijd enkelvoud — sleeptenverleden tijd meervoud — gesleeptvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik sleep sleepte
jij sleept sleepte
hij, zij, het sleept sleepte
wij slepen sleepten
jullie slepen sleepten
zij slepen sleepten
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gesleept voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gesleept voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gesleept impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gesleept impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gesleept impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gesleept impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gesleept worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gesleept zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gesleept worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gesleept zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gesleept verleden tijd, deelwoord
gesleept te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gesleept te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gesleept te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gesleept te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gesleept te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gesleept worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gesleept zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gesleept zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gesleept zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gesleept zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gesleept voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gesleept voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gesleept voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gesleept voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gesleept voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gesleept voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gesleept voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gesleept voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gesleept actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gesleept voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gesleept voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gesleept voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gesleept voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gesleept voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gesleept voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gesleept voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gesleept voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
sleep gebiedende wijs
sleep me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
sleep u/je , sleept je gebiedende wijs
sleept je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
sleept u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
sleept u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
sleept zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
sleept zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
sleept zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
sleepte verleden tijd
sleepte je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
sleepte me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
sleepte u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
sleepte u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
sleepte zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
sleepte zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
sleepte zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
sleepten je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
sleepten ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
sleepten zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
slepe aanvoegende wijs
slepe zich aanvoegende wijs
slepen je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
slepen ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
slepen zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
slepend onvoltooid, deelwoord
te hebben gesleept actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te slepen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen slepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gesleept voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gesleept voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gesleept voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gesleept voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gesleept voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gesleept voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gesleept voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gesleept enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gesleept enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gesleept enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gesleept enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gesleept enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gesleept enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gesleept enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gesleept enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gesleept enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gesleept enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gesleept enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gesleept enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gesleept enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gesleept hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gesleept hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gesleept hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gesleept worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gesleept worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gesleept zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gesleept zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal me slepen eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal slepen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal slepen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal slepen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal zich slepen derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je slepen tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich gesleept hebben verleden tijd
zich slepend onvoltooid, deelwoord
zijn gesleept voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gesleept voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gesleept voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gesleept voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gesleept worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gesleept worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gesleept worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gesleept zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gesleept zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gesleept zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou slepen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou slepen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou slepen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gesleept worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gesleept worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gesleept worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gesleept zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gesleept zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gesleept zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden slepen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden slepen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden slepen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gesleept worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gesleept zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt slepen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gesleept hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gesleept hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gesleept hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gesleept worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van slijpen

Vervoeging van slepen

slepenhele werkwoord — sleepteverleden tijd enkelvoud — sleeptenverleden tijd meervoud — gesleeptvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik sleep sleepte
jij sleept sleepte
hij, zij, het sleept sleepte
wij slepen sleepten
jullie slepen sleepten
zij slepen sleepten
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gesleept voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gesleept voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gesleept impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gesleept impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gesleept impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gesleept impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gesleept worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gesleept zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gesleept worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gesleept zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gesleept verleden tijd, deelwoord
gesleept te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gesleept te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gesleept te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gesleept te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gesleept te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gesleept worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gesleept zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gesleept zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gesleept zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gesleept zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gesleept voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gesleept voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gesleept voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gesleept voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gesleept voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gesleept voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gesleept voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gesleept voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gesleept actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gesleept voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gesleept voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gesleept voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gesleept voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gesleept voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gesleept voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gesleept voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gesleept voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
sleep gebiedende wijs
sleep me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
sleep u/je , sleept je gebiedende wijs
sleept je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
sleept u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
sleept u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
sleept zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
sleept zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
sleept zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
sleepte verleden tijd
sleepte je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
sleepte me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
sleepte u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
sleepte u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
sleepte zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
sleepte zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
sleepte zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
sleepten je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
sleepten ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
sleepten zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
slepe aanvoegende wijs
slepe zich aanvoegende wijs
slepen je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
slepen ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
slepen zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
slepend onvoltooid, deelwoord
te hebben gesleept actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te slepen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen slepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gesleept voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gesleept voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gesleept voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gesleept voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gesleept voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gesleept voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gesleept voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gesleept enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gesleept enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gesleept enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gesleept enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gesleept enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gesleept enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gesleept enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gesleept enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gesleept enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gesleept enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gesleept enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gesleept enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gesleept enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gesleept hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gesleept hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gesleept hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gesleept worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gesleept worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gesleept zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gesleept zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal me slepen eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal slepen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal slepen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal slepen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal zich slepen derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je slepen tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich gesleept hebben verleden tijd
zich slepend onvoltooid, deelwoord
zijn gesleept voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gesleept voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gesleept voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gesleept voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gesleept worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gesleept worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gesleept worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gesleept zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gesleept zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gesleept zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou slepen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou slepen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou slepen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gesleept worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gesleept worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gesleept worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gesleept zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gesleept zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gesleept zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden slepen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden slepen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden slepen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gesleept worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gesleept zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt slepen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gesleept hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gesleept hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gesleept hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gesleept worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord sleep

Herkomst

In de betekenis van ‘voorttrekken’ voor het eerst aangetroffen in 1285

Woordfamilie van slepen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gesleept voltooid deelwoord slepen
gesleepte woordvorm slepen
sleept aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon slepen
sleepte verleden tijd slepen
sleepten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon slepen
slepe aanvoegende wijs slepen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van slepen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over slepen

Wat is de betekenis van slepen?
Slepen is een werkwoord. De betekenis is: trekkend over de grond of het wateroppervlak verplaatsen. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik slepen?
Zo vervoeg je slepen zo: de tegenwoordige tijd is sleep, de verleden tijd is sleepte en het voltooid deelwoord is gesleept. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord slepen is 11 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. L 3
  3. E 1
  4. P 3
  5. E 1
  6. N 1
  7. 11 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

slepen levert met Wordfeud minimaal 12 en maximaal 60 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. L 3
  3. E 1
  4. P 4
  5. E 1
  6. N 1
  7. 12 zonder bonus
  8. 60 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

slepen telt 6 letters, waarvan 5 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 13.213 woorden van 6 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

slepen in het kort

slepen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van slepen staan er 103 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort slepen bij een woordfamilie van 6 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

slepen: trekkend over de grond of het wateroppervlak verplaatsen
Deel slepen — standaardnederlands.nl