meesleuren
werkwoordBetekenis
- iets sleurend meenemen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van meesleuren
meesleurenhele werkwoord — sleurde meeverleden tijd enkelvoud — sleurden meeverleden tijd meervoud — meegesleurdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | sleur mee | sleurde mee |
| jij | sleurt mee | sleurde mee |
| hij, zij, het | sleurt mee | sleurde mee |
| wij | sleuren mee | sleurden mee |
| jullie | sleuren mee | sleurden mee |
| zij | sleuren mee | sleurden mee |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben meegesleurd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent meegesleurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is meegesleurd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was meegesleurd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd meegesleurd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt meegesleurd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal meegesleurd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal meegesleurd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou meegesleurd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou meegesleurd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had meegesleurd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had meegesleurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had meegesleurd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden meegesleurd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden meegesleurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden meegesleurd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt meegesleurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb meegesleurd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben meegesleurd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben meegesleurd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben meegesleurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben meegesleurd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt meegesleurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft meegesleurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft meegesleurd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is meegesleurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is meegesleurd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| mee te sleuren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| mee te zullen sleuren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| mee zal sleuren | bijzin, toekomende tijd |
| mee zou sleuren | bijzin, voorwaardelijk |
| mee zouden sleuren | bijzin, voorwaardelijk |
| mee zoudt sleuren | bijzin, voorwaardelijk |
| mee zullen sleuren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| mee zullen sleuren | bijzin, toekomende tijd |
| mee zult sleuren | bijzin, toekomende tijd |
| meegesleurd | verleden tijd, deelwoord |
| meegesleurd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| meegesleurd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| meegesleurd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| meegesleurd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| meegesleurd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| meegesleurd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| meegesleurd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| meegesleurd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| meegesleurd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| meegesleurd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| meesleur | bijzin, tegenwoordige tijd |
| meesleurde | bijzin, verleden tijd |
| meesleurden | bijzin, verleden tijd |
| meesleurend | onvoltooid, deelwoord |
| meesleurt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| sleur mee | gebiedende wijs |
| sleurde mee | verleden tijd |
| te hebben meegesleurd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen meesleuren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart meegesleurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren meegesleurd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren meegesleurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren meegesleurd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was meegesleurd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was meegesleurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was meegesleurd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd meegesleurd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd meegesleurd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd meegesleurd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden meegesleurd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden meegesleurd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden meegesleurd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt meegesleurd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word meegesleurd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden meegesleurd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden meegesleurd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden meegesleurd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt meegesleurd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt meegesleurd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal meegesleurd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal meegesleurd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal meegesleurd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal meegesleurd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal meegesleurd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal meegesleurd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal meegesleurd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal meesleuren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal meesleuren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal meesleuren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal meesleuren | bijzin, toekomende tijd |
| zijn meegesleurd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn meegesleurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn meegesleurd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt meegesleurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou meegesleurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou meegesleurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou meegesleurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou meegesleurd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou meegesleurd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou meegesleurd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou meegesleurd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou meegesleurd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou meegesleurd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou meesleuren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou meesleuren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou meesleuren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou meesleuren | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) meesleuren mee zou(dt) sleuren | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden meegesleurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden meegesleurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden meegesleurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden meegesleurd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden meegesleurd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden meegesleurd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden meegesleurd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden meegesleurd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden meegesleurd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden meesleuren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden meesleuren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden meesleuren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden meesleuren | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt meegesleurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt meegesleurd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt meegesleurd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt meesleuren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt meesleuren | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen meegesleurd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen meegesleurd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen meegesleurd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen meegesleurd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen meegesleurd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen meegesleurd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen meegesleurd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen meegesleurd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen meegesleurd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen meesleuren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen meesleuren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen meesleuren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen meesleuren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen meesleuren | bijzin, toekomende tijd |
| zult meegesleurd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van mee en sleuren
Woordfamilie van meesleuren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| meegesleurd | voltooid deelwoord | meesleuren |
| meegesleurde | woordvorm | meesleuren |
| meesleur | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | meesleuren |
| meesleurde | subordinate-clause, verleden tijd | meesleuren |
| meesleurden | subordinate-clause, verleden tijd | meesleuren |
| meesleure | with-subordinate-clause | meesleuren |
| meesleurend | onvoltooid deelwoord | meesleuren |
| meesleurende | woordvorm | meesleuren |
| meesleurt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | meesleuren |
| sleur mee | gebiedende wijs | meesleuren |
| sleurde mee | verleden tijd | meesleuren |
| sleurden mee | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | meesleuren |
| sleure mee | woordvorm | meesleuren |
| sleuren mee | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | meesleuren |
| sleurt mee | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | meesleuren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van meesleuren zijn vastgelegd.