sleeën
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- met een slee door de sneeuw glijden
Vervoeging van sleeën
sleeënhele werkwoord — sleedeverleden tijd enkelvoud — sleedenverleden tijd meervoud — gesleedvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | slee | sleede |
| jij | sleet | sleede |
| hij, zij, het | sleet | sleede |
| wij | sleeën | sleeden |
| jullie | sleeën | sleeden |
| zij | sleeën | sleeden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gesleed | verleden tijd, deelwoord |
| gesleed te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesleed zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gesleed | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gesleed | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gesleed | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gesleed | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gesleed | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gesleed | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gesleed | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gesleed | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesleed | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gesleed | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesleed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gesleed | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gesleed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesleed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesleed | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| slee | gebiedende wijs |
| sleede | verleden tijd |
| sleeë | aanvoegende wijs |
| sleeënd | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gesleed | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te sleeën | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen sleeën | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gesleed hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesleed hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesleed hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal sleeën | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal sleeën | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal sleeën | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gesleed hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesleed hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesleed hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou sleeën | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou sleeën | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou sleeën | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesleed hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesleed hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesleed hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden sleeën | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden sleeën | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden sleeën | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesleed hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt sleeën | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesleed hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesleed hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesleed hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen sleeën | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen sleeën | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen sleeën | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen sleeën | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gesleed hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult sleeën | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord slee
Herkomst
Afleiding van slee.
Woordfamilie van sleeën
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| sleede | verleden tijd | sleeën |
| sleeden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | sleeën |
| sleeënd | onvoltooid deelwoord | sleeën |
| sleeënde | woordvorm | sleeën |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van sleeën zijn vastgelegd.