Naar de inhoud

sleeën

met een slee door de sneeuw glijden

sleeën is meer dan één woord

sleeën

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. met een slee door de sneeuw glijden

Vervoeging van sleeën

sleeënhele werkwoord — sleedeverleden tijd enkelvoud — sleedenverleden tijd meervoud — gesleedvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik slee sleede
jij sleet sleede
hij, zij, het sleet sleede
wij sleeën sleeden
jullie sleeën sleeden
zij sleeën sleeden
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
gesleed verleden tijd, deelwoord
gesleed te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gesleed zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gesleed voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gesleed voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gesleed voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gesleed voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gesleed voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gesleed voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gesleed voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gesleed voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gesleed actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gesleed voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gesleed voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gesleed voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gesleed voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gesleed voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gesleed voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
slee gebiedende wijs
sleede verleden tijd
sleeë aanvoegende wijs
sleeënd onvoltooid, deelwoord
te hebben gesleed actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te sleeën actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen sleeën actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gesleed hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gesleed hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gesleed hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal sleeën aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal sleeën aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal sleeën aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou gesleed hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gesleed hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gesleed hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou sleeën aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou sleeën aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou sleeën aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gesleed hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gesleed hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gesleed hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden sleeën aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden sleeën aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden sleeën aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gesleed hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt sleeën aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gesleed hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gesleed hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gesleed hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen sleeën actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen sleeën aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen sleeën aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen sleeën aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gesleed hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult sleeën aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord slee

Herkomst

Afleiding van slee.

Woordfamilie van sleeën

Woordvorm Relatie Afgeleid van
sleede verleden tijd sleeën
sleeden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon sleeën
sleeënd onvoltooid deelwoord sleeën
sleeënde woordvorm sleeën

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van sleeën zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over sleeën

Wat betekent sleeën?
Sleeën is een werkwoord. Het woord betekent: met een slee door de sneeuw glijden.
Hoe vervoeg je sleeën?
Je vervoegt sleeën als volgt: de tegenwoordige tijd is slee, de verleden tijd is sleede en het voltooid deelwoord is gesleed. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord sleeën is 9 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. L 3
  3. E 1
  4. E 1
  5. E 1
  6. N 1
  7. 9 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

sleeën levert met Wordfeud minimaal 9 en maximaal 45 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. L 3
  3. E 1
  4. E 1
  5. E 1
  6. N 1
  7. 9 zonder bonus
  8. 45 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (L) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

sleeën in het kort

sleeën is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Van sleeën zijn 32 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort sleeën bij een woordfamilie van 4 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

sleeën: met een slee door de sneeuw glijden
Deel sleeën — standaardnederlands.nl