score
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈskorəBetekenis
- het aantal behaalde punten
- de puntenverhouding in een wedstrijd
- twintig, twintigmaal
score in een zin
- De score bleef tot de rust gelijk.
- Zijn score op de toets was hoog.
- Bij de eindstand stonden de scores op het bord.
Hoe spreek je score uit?
/ˈskorə/
Score bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| k | kat |
| o | boot |
| r | rood |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| scores | meervoud |
| scoretje | verkleinwoord, enkelvoud |
| scoretjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- aanvoegende wijs van scoren
Vervoeging van score
scorehele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘uitslag’ voor het eerst aangetroffen in 1889
Woordfamilie van score
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| scores | meervoud | score |
| scoretje | verkleinwoord | score |
| scoretjes | verkleinwoord meervoud | score |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van score zijn vastgelegd.