scorbuut
zelfstandig naamwoordBetekenis
- aandoening veroorzaakt door gebrek aan vitamine C
zelfstandig naamwoord
- ziekte die vroeger veel voorkwam bij zeevarenden, veroorzaakt door een ernstig en langdurig tekort aan vitamine C (ascorbinezuur), zich o.a. kenmerkend door bloedend gezwollen tandvlees, blauwe vlekken, bloeding van huid en slijmvliezen en extreme zwakte
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| scorbuten | meervoud |
Herkomst
Geleerde ontlening uit Frans scorbut, ontleend aan middeleeuws Latijn scorbūtus (1541), waarschijnlijk ontleend aan Nederduitse of Nederlandse volksetymologisch vervormde bijvormen zoals Gronings schoerbot (1592; waaruit Fries skuorbot) en Noord-Brabants scheurbot, op grond van de sterke pijnen in de botten.
Woordfamilie van scorbuut
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| scorbuten | meervoud | scorbuut |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van scorbuut zijn vastgelegd.