| er is geschutterd |
impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
|
| er was geschutterd |
impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
|
| er werd geschutterd |
impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
|
| er wordt geschutterd |
impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
|
| er zal geschutterd worden |
impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
|
| er zal geschutterd zijn |
impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
|
| er zou geschutterd worden |
impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
|
| er zou geschutterd zijn |
impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
|
| ev. |
gebiedende wijs
|
| geschutterd |
verleden tijd, deelwoord
|
| geschutterd te zullen hebben |
actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
|
| geschutterd zullen hebben |
actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
|
| had geschutterd |
voltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| had geschutterd |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| had geschutterd |
voltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| hadden geschutterd |
voltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| hadden geschutterd |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| hadden geschutterd |
voltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| hadt geschutterd |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| heb geschutterd |
voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| hebben geschutterd |
actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
|
| hebben geschutterd |
voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| hebben geschutterd |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| hebben geschutterd |
voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| hebt geschutterd |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| heeft geschutterd |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| heeft geschutterd |
voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| schutter |
gebiedende wijs
|
| schutterde |
verleden tijd
|
| schuttere |
aanvoegende wijs
|
| schutterend |
onvoltooid, deelwoord
|
| te hebben geschutterd |
actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
|
| te schutteren |
actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
|
| te zullen schutteren |
actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
|
| zal geschutterd hebben |
voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zal geschutterd hebben |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zal geschutterd hebben |
voltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zal schutteren |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
|
| zal schutteren |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
|
| zal schutteren |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
|
| zou geschutterd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zou geschutterd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zou geschutterd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zou schutteren |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
|
| zou schutteren |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
|
| zou schutteren |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
|
| zouden geschutterd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zouden geschutterd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zouden geschutterd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zouden schutteren |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
|
| zouden schutteren |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
|
| zouden schutteren |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
|
| zoudt geschutterd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zoudt schutteren |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
|
| zullen geschutterd hebben |
voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zullen geschutterd hebben |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zullen geschutterd hebben |
voltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zullen schutteren |
actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
|
| zullen schutteren |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
|
| zullen schutteren |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
|
| zullen schutteren |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
|
| zult geschutterd hebben |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zult schutteren |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
|