schuld
zelfstandig naamwoord sxʏltBetekenis
- een geldbedrag dat ondanks de verplichting daartoe (nog) niet betaald wordt
- een verantwoordelijkheid die iemand wordt toegeschreven voor een laakbare gebeurtenis of toestand
Hoe spreek je schuld uit?
/sxʏlt/
Schuld bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| x | acht |
| ʏ | put |
| l | land |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- een verantwoordelijkheid die aan iemand wordt toegeschreven voor een laakbare gebeurtenis of toestand figuratively
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| schulden | meervoud |
| schuldje | verkleinwoord, enkelvoud |
| schuldjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘verplichting’ voor het eerst aangetroffen in 1201
Woordfamilie van schuld
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schulden | meervoud | schuld |
| schuldje | verkleinwoord | schuld |
| schuldjes | verkleinwoord meervoud | schuld |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schuld zijn vastgelegd.
Afleidingen en samenstellingen
- schuldbekentenis
- schuldbesef
- schuldbewust
- schuldcomplex
- schulddienstverlening
- schuldeiser
- schuldeloos
- schuldenaar
- schuldenberg
- schuldencrisis
- schuldenlast
- schuldenprobleem
- schuldenproblematiek
- schuldenvrij
- schuldgevoel
- schuldgevoelens
- schuldhulp
- schuldhulpverlening
- schuldig
- schuldloos
- schuldsanering
- schuldslavernij
- schuldvraag