schrapen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- de bovenste laag (met een scherp object) eraf halen, afkrabben
- het ontdoen van de keel van slijm
- het bijeenbrengen van bezit beetje bij beetje
Vervoeging van schrapen
schrapenhele werkwoord — schraapteverleden tijd enkelvoud — schraaptenverleden tijd meervoud — geschraaptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schraap | schraapte |
| jij | schraapt | schraapte |
| hij, zij, het | schraapt | schraapte |
| wij | schrapen | schraapten |
| jullie | schrapen | schraapten |
| zij | schrapen | schraapten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geschraapt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geschraapt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geschraapt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geschraapt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geschraapt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geschraapt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geschraapt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geschraapt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geschraapt | verleden tijd, deelwoord |
| geschraapt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschraapt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geschraapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geschraapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geschraapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geschraapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geschraapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geschraapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geschraapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geschraapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschraapt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geschraapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschraapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geschraapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geschraapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschraapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschraapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schraap | gebiedende wijs |
| schraapte | verleden tijd |
| schrape | aanvoegende wijs |
| schrapend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geschraapt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te schrapen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen schrapen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geschraapt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschraapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geschraapt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal schrapen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal schrapen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal schrapen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geschraapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschraapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschraapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou schrapen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou schrapen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou schrapen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geschraapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geschraapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geschraapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden schrapen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden schrapen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden schrapen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geschraapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt schrapen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geschraapt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geschraapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geschraapt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen schrapen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen schrapen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen schrapen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen schrapen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geschraapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult schrapen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord schraap
Herkomst
In de betekenis van ‘afkrabben, bijeenbrengen’ voor het eerst aangetroffen in 1439
Woordfamilie van schrapen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geschraapt | voltooid deelwoord | schrapen |
| geschraapte | woordvorm | schrapen |
| schraapt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | schrapen |
| schraapte | verleden tijd | schrapen |
| schraapten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | schrapen |
| schrape | aanvoegende wijs | schrapen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schrapen zijn vastgelegd.