Naar de inhoud

schotelen

op een schotel doen, opdoen

schotelen

werkwoord

Betekenis

  1. op een schotel doen, opdoen

Vervoeging van schotelen

schotelenhele werkwoord — schoteldeverleden tijd enkelvoud — schoteldenverleden tijd meervoud — geschoteldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik schotel schotelde
jij schotelt schotelde
hij, zij, het schotelt schotelde
wij schotelen schotelden
jullie schotelen schotelden
zij schotelen schotelden
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
geschoteld verleden tijd, deelwoord
geschoteld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geschoteld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geschoteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geschoteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geschoteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geschoteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geschoteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geschoteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geschoteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geschoteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geschoteld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geschoteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geschoteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geschoteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geschoteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geschoteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geschoteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
schotel gebiedende wijs
schotelde verleden tijd
schotele aanvoegende wijs
schotelend onvoltooid, deelwoord
te hebben geschoteld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te schotelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen schotelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal geschoteld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geschoteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geschoteld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal schotelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal schotelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal schotelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou geschoteld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geschoteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geschoteld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou schotelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou schotelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou schotelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geschoteld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geschoteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geschoteld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden schotelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden schotelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden schotelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geschoteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt schotelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geschoteld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geschoteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geschoteld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen schotelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen schotelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen schotelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen schotelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geschoteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult schotelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van schotel met het achtervoegsel -en

Woordfamilie van schotelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geschoteld voltooid deelwoord schotelen
schotelde verleden tijd schotelen
schotelden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon schotelen
schotele aanvoegende wijs schotelen
schotelend onvoltooid deelwoord schotelen
schotelende woordvorm schotelen
schotelt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon schotelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schotelen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over schotelen

Wat is de betekenis van schotelen?
Schotelen is een werkwoord. De betekenis is: op een schotel doen, opdoen.
Hoe vervoeg ik schotelen?
Zo vervoeg je schotelen zo: de tegenwoordige tijd is schotel, de verleden tijd is schotelde en het voltooid deelwoord is geschoteld. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord schotelen is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. C 5
  3. H 4
  4. O 1
  5. T 2
  6. E 1
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

schotelen levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 90 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. C 5
  3. H 4
  4. O 1
  5. T 2
  6. E 1
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 20 zonder bonus
  11. 90 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

schotelen in het kort

schotelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van schotelen staan er 32 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort schotelen bij een woordfamilie van 7 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

schotelen: op een schotel doen, opdoen
Deel schotelen — standaardnederlands.nl