schotel
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈsxotəlBetekenis
- platte ronde schaal met opstaande rand
- een gerecht
- (meestal verkleinwoord) een schaaltje onder een kopje
- een antenne voor televisieontvangst
- een vliegende schotel: een omstreden discusvormig object dat door de lucht zweeft, ufo
Hoe spreek je schotel uit?
/ˈsxotəl/
Schotel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| x | acht |
| o | boot |
| t | tak |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- een schaaltje onder een kopje
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| schotels | meervoud |
| schoteltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| schoteltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schotelen
- gebiedende wijs van schotelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schotelen
Vervoeging van schotel
schotelhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het middeleeuws Latijn scutella (klassiek scutulum), in de betekenis van ‘schaal’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van schotel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schotels | meervoud | schotel |
| schoteltje | verkleinwoord | schotel |
| schoteltjes | verkleinwoord meervoud | schotel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schotel zijn vastgelegd.