Schortelwoensdag
zelfstandig naamwoordBetekenis
- de woensdag voor Pasen, waarop alle orgelmuziek, klokluiden e.d. geschorst werd tot paaszaterdag
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| Schortelwoensdagen | meervoud |
| Schortelwoensdagje | verkleinwoord, enkelvoud |
| Schortelwoensdagjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van schortel en woensdag
Woordfamilie van Schortelwoensdag
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| Schortelwoensdagen | meervoud | Schortelwoensdag |
| Schortelwoensdagje | verkleinwoord | Schortelwoensdag |
| Schortelwoensdagjes | verkleinwoord meervoud | Schortelwoensdag |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van Schortelwoensdag zijn vastgelegd.