schort
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een lap stof die voorgebonden wordt gewoonlijk rond de middel om de kleding te beschermen bij huishoudelijke taken zoals het koken of schoonmaken
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| schorten | meervoud |
| schortje | verkleinwoord, enkelvoud |
| schortjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- onpersoonlijke tegenwoordige tijd van schorten
- enkelvoud tegenwoordige tijd van schorten
- gebiedende wijs van schorten
Vervoeging van schort
schorthele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘boezelaar’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1442
Woordfamilie van schort
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schortje | verkleinwoord | schort |
| schortjes | verkleinwoord meervoud | schort |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schort zijn vastgelegd.