bast
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- buitenste laag van een boom, meestal het geheel van schors en aangroeilaag
- fluweelachtige huid rond een nieuw gewei
- lichaam: gisteren nog in blote bast op 't strand, nu alweer aan 't werk
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| basten | meervoud |
| bastje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bastjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bassen
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bassen
- gebiedende wijs meervoud van bassen
Vervoeging van bast
basthele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘schors’ voor het eerst aangetroffen in 1105
Woordfamilie van bast
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bastje | verkleinwoord | bast |
| bastjes | verkleinwoord meervoud | bast |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bast zijn vastgelegd.